15 februari 2017

Meststoffen stinken, maar zijn wel nuttig


Iedereen die Frans verstaat zal zijn conclusies zelf kunnen trekken, en de anderen moeten maar afgaan op de leugenachtige, zij het goedbedoelde fantasietjes in de Vlaamse pers, die blijkbaar geen mensen in huis heeft om valse Belgaberichten en -vertalingen te controleren. 

Is dit een steunbetuiging aan Jean-Marie Le Pen bij zijn komend proces wegens "antisemitisme", zoals jullie goedmenende journalisten nu zullen roepen? Nee, sukkelaars, dit is een aanval op jullie schandalige, maar gelukkig ook ridicule gewoonte om alternatieve, constructieve, met andere woorden verzonnen en tenslotte naïeve berichtjes te verspreiden. En opgelet: we gaan ver terug in de tijd, weliswaar niet tot in de jaren dertig, maar toch volle drie jaar terug. Dat moeten jullie zeker aankunnen.

En nu Franse les! Woordjes leren, vocabulaire, beetje grammatica ook, grammaire, en dan context, als dat nog binnen jullie begripsvermogen valt. En jullie kennen het verdict na een buis: het watervalsysteem, waar jullie zo graag over schrijven.


Marie d’Herbais de Thun : Guy Bedos ainsi que Madonna, la chanteuse Madonna, un petit peu has been, mais enfin, encore vivante, n’ont pas été de main morte quant à des insultes et des critiques vis-à-vis de Marine Le Pen. Vous avez quelque chose à leur répondre ?
Jean-Marie Le Pen : Vous savez, oui, pour qu’il y ait …pour avoir de belles roses, vous savez qu’il est nécessaire de mettre du purin aux pieds. Alors le vieux Bidoche, et la vieille Maldonna, tous les deux ont participé à cet exercice …rural en quelque sorte. Mais je parlerai d’eux à la fin de l’émission, si vous le voulez bien.



Marie d’Herbais de Thun : Alors, vous avez deux pauv’cons de la semaine, Jean-Marie Le Pen?*
Jean-Marie Le Pen: Aah, oui, aujourd’hui on va, on va les pacser.** Parce qu'il y a un homme et une femme, que j’ai évoqués tout à l’heure d’ailleurs, des vedettes, heu, vieillissantes mais qui essayent toujours de se rappeler au bon souvenir des médias par une technique qui est bien connue : il suffit d’apparaître comme un ennemi du fascisme et du nazisme. Alors on tire un peu à vue, alors monsieur Bedoche, lui, il a comparé Marine Le Pen à Hitler, et quant à Maldonna, elle a elle a… qui avait déjà mis une croix gammée dans un de ses spectacles sur le visage de Marine, sur le front de Marine. Alors là, elle l’a accusée à la suite de la victoire du Front National, d’être fasciste etcetera. Alors, on va les pacser et ce sera, ce seront un couple de pauv’cons.
M.d'H: Oui, mais il y a aussi tous ceux qui avaient juré après la victoire du Front National, en cas d'une victoire du Front National, de prendre leurs cliques et leurs claques et de quitter la France. Apparemment, c’est toujours passé.
J-M LP: Ah, oui, c’est Noah, ça.
M.d'H: Oui.
J-M LP: Ce monsieur Noah a dit de s’être engagé à ne plus chanter en France si le Front National arrivait en tête de l’élection. Cochon qui s’en dédit !
M.d'H: Monsieur Bruel aussi.
J-M LP: Ah oui, ah oui, ça ne m’étonne pas pour un...
M.d'H: Oui, ça n’a…
J-M LP: Écoutez, on fera une fournée la prochaine fois.



_________
* Normaal is er maar één con, deze keer twee.
** PACS: pacte civil de solidarité, samenlevingscontract.

14 februari 2017

Vertaalproblemen bij Belga


Er lijkt me ruimte te komen voor automatisering van de reguliere journalistiek. Velen zullen dat spijtig vinden, maar in nogal wat industrietakken is het niet anders en eenvoudige taakjes kunnen nu eenmaal goedkoper en sneller door een robot verricht worden. Vaak even goed ook nog, en af en toe zelfs beter. Dat is geen plezierige gedachte voor de menselijke journalist.

We nemen even de proef, en laten het zinnetje: “Moeten we dan een solidariteitsactie op touw zetten?” naar het Frans vertalen door de Googlemachine. Die levert ons bliksemsnel: «Faut-il lancer une action de solidarité?» Uitstekend, en ik denk niet dat onze menselijke journalist dit kan verbeteren.
Ook in de omgekeerde richting, van het Frans naar het Nederlands, werkt het machientje soms goed, want een zin als “Moeten we beginnen een actie van solidariteit?” zou zonder meer uit de mond van bijvoorbeeld Charles Michel of Beatrice Delvaux of om het even welke parfait bilingue kunnen komen.

Nederlands is de taal van een goede twintig miljoen mensen als ik mij niet vergis, maar voor Google is dat een klein getal. Met de echt grote talen loopt de machine gesmeerder. Frans-Engels gaat soms zelfs verbluffend goed.

Een uitspraak als «Ah, ça ne m'étonne pas! Écoutez, on fera une fournée la prochaine fois.» rolt er direct perfect uit : "Ah, that does not surprise me! Listen, we'll make a batch next time." Dat was ook de vertaling die we lazen in The Guardian, toen een jaar of drie geleden vader Le Pen al lachend die uitspraak had gedaan, waar hij nu in volle kiescampagne voor vervolgd zal worden.

Maar in het Nederlands laat de Googlemachine de vertalende – en ik neem aan menselijke – Belgajournalist lelijk in de steek: “O, dat maakt me niet te verrassen! Luister, een partij de volgende keer zullen we.”
Alles komt nog min of meer op zijn pootjes terecht gelukkig, want de Belgaman/vrouw/x verbetert deze mechanische collega: “De volgende keer bouwen we wel weer een oven.” 

U zult zeggen: maar dat is compleet fantaisistisch! Ja, dat is helaas zo, al klinkt de zin toch natuurlijker, dat zal iedereen hem/haar/x toegeven. Die “weer” inderdaad zien we niet in het Frans. Anderzijds had de machine het woord “fournée” heel goed begrepen en vertaald door “partij” ...maar bracht de menselijke journalist op eigen houtje een zogenaamde Verschlimmbesserung aan.

Bij de Morgen namen ze die krukkige Belgavertaling machinaal over, copy/paste. Misschien is de automatisering daar al ver doorgedrongen, en is er bijgevolg geen sprake van journalistieke vooringenomenheid of goedmenendheid of stupiditeit, zoals bij ons nationale persagentschap.

Plezierig is nu om dat Belga/De Morgen-zinnetje op zijn beurt eens door onze machine te halen. In het Engels is er nauwelijks een probleem: “The next time we also build an oven again.”, en in het Frans hapert ze ook maar even, en gaat dan door: «La prochaine fois que nous construisons également un four à nouveau.»

Volgende keer kunnen die journalisten de machine toch beter in de hoek laten staan, en hun juffrouw van het vijfde studiejaar aanspreken als ze vertaalproblemen hebben.

11 februari 2017

Een toneelstuk met een bewogen geschiedenis



Er bestaat plezieriger lectuur dan een toneelstuk van die steriele Voltaire, maar soms moet het. En ook Cioran kan wel eens een zaagje spannen – iedereen mag mij tegenspreken die zijn dagboeknotities, zijn Cahiers 1957-1972 (Gallimard, 1997) uitgelezen heeft, want ikzelf ben nog maar aan bladzijde 428 van de duizend, al geef ik niet op want soms zijn ze ook subliem.

Maar! de inleiding (Généalogie du Fanatisme, vijf bladzijden maar) die Cioran schreef bij Mahomet ou le Fanatisme van Voltaire, die is prachtig en meer dan prachtig. Zo mooi geschreven dat een vertaling ervan nooit kan zeggen wat hij zegt. Een dichter moet dat werkje maar eens opknappen, en zeker niet zijn hersenen vermoeien met bijvoorbeeld een berijmde vertaling van Voltaire zijn toneelstuk ...al staan ook daar wel mooie dingen in, als proza dan. Een kleine proeve, uit het eerste bedrijf: Phanor, een senator van Mekka, spreekt tot de sjeik Zopire.

Tegen zijn aanslagen kon u eertijds ongestraft het heilige zwaard der wet nog heffen, en van de brand van een heilige oorlog de eerste vonk onder je voet verpletten.
Als burger leek Mohammed in uw ogen enkel een obscure nieuwlichter, een gemene oproerkraaier. Vandaag is hij een vorst, hij triomfeert, hij heerst: als bedrieger in Mekka en profeet in Medina, weet hij bij dertig stammen verering te wekken voor precies dezelfde misdrijven die wij hier verachten.


Contre ses attentats vous pouviez autrefois
lever impunément le fer sacré des lois,
et des embrasements d'une guerre immortelle
étouffer sous vos pieds la première étincelle.
Mahomet citoyen ne parut à vos yeux
qu'un novateur obscur, un vil séditieux:
aujourd'hui, c'est un prince; il triomphe, il domine;
imposteur à la Mecque, et prophète à Médine,
il sait faire adorer à trente nations
tous ces mêmes forfaits qu'ici nous détestons.


9 februari 2017

Heeft Jean-Baptiste Botul echt bestaan?


Omdat de boog niet altijd gespannen mag staan las ik daarnet een grappig boekje van de journalist Frédéric Pagès, verschenen in 2015 bij Libella in Parijs. Pagès schrijft voor Le Canard Enchaîné, het blad dat François Fillon uit zijn dromen heeft gewekt, en hij heeft ook een reeks boekjes gewijd aan de filosoof Jean-Baptiste Botul, die volgens sommigen evenwel nooit bestaan zou hebben.
Hieronder dient hij deze ongelovigen striemend van antwoord.

Né le 15 août 1896 à Lairière dans le département de l’Aude, de parents inconnus et dans l’indifférence générale, Botul est mort le 15 août 1947 dans le même village et dans la même indifférence. De lui, nous n’avons aucun livre, même ébauché, puisqu’il avait décidé d’être un philosophe de tradition orale. Sa plume est restée sèche, son encrier vide, sa feuille vierge. Les ouvrages que vous trouvez en librairie sous son nom n’ont pourtant rien d’apocryphe : ce sont des transcriptions de ses propos, vous pouvez donc les acheter.
Il n’en faut pas plus pour que certains esprits forts aient émis des doutes sur l’existence de notre philosophe. À cette question récurrente, je répondrai par un argument dirimant : si Botul était une invention sortie d’un ou plusieurs cerveaux malsains, croyez-vous qu’un homme aussi fin et éclairé que Bernard-Henri Lévy l’eût cité dans un de ces livres ? C’est pourtant ce qui arriva en février 2010, quand BHL cita Botul entre Louis Althusser en Maurice Merleau-Ponty.*  L’affaire fit grand bruit et faillit perturber la quête placide que mènent, depuis 1996, date de leur agrégation fondatrice, les « Amis de Jean-Baptiste Botul ». Mis à part ce coup de tonnerre médiatique, il faut s’y résigner : autant nous savons beaucoup de choses sur BHL, autant nous en savons peu sur Botul.
_______
* Bernard-Henri Lévy, De la guerre en philosophie, Paris, Grasset, 2010, p.122.

Den boghe en magh niet altijdt ghespannen staen:
Want soo soude hy sijn kracht verliesen.
Soo moet alle dinghen met maete gaen,
Want heete wateren lichst vervriesen.

5 februari 2017

De "deplorables" van de achttiende eeuw


In die term deplorables van Hillary Clinton zit toch een bepaalde empathie (om ook eens die modeterm te gebruiken), maar in de achttiende eeuw noemde men slechte kiezers nog gewoon the dregs of the people.


Reflections
on
The Revolution in France
and on the Proceedings in Certain Societies in London Relative to that Event
in a Letter Intended to have been sent to a Gentleman in Paris
Edmund Burke
[1790]

In de gezaghebbende uitgave van Connor Cruise O'Brien (1986, Penguin Classics) staat wat hier volgt op de pagina's 145-146


Ik weet wel dat men ons voor een saai, futloos volkje houdt, dat lijdzaam is geworden omdat het zijn situatie wel draaglijk vindt, en dat aan zijn mediocre vrijheid juist een beletsel heeft om deze ooit ten volle te bereiken. Uw leiders in Frankrijk deden eerst nog alsof ze het Britse stelsel bewonderden, bijna adoreerden. Maar eens zij veld hadden gewonnen, keken ze er met diepe minachting op neer. Bij ons hier hebben de vrienden van uw Assemblée Nationale een al even lage opinie over wat eertijds nog als de trots van hun vaderland werd beschouwd.
De Revolution Society* is tot de bevinding gekomen dat de Engelse natie in onvrijheid leeft. Onze onevenredige vertegenwoordiging is, daar zijn ze van overtuigd, ‘een zo grof en tastbaar defect van ons bestel, dat dit hooguit in formele zin of in theorie voortreffelijk kan heten.’ En verder vinden zij dat niet enkel in een koninkrijk een wettelijk geregelde volksvertegenwoordiging de enige basis vormt voor elke constitutionele vrijheid, maar dat dit ook zo is voor ‘elk legitiem bestuur, en dat bij gebreke hiervan regeren gewoon neerkomt op usurperen’ – en dat ‘als de vertegenwoordiging maar partieel is, het koninkrijk enkel partiële vrijheid kent; en als ze extreem partieel is, er alleen een schijn van vrijheid bestaat; en indien niet enkel extreem partieel maar nog eens valselijk verkozen, dan wordt ze een hinderpaal.’
Dr. Price** beschouwt deze inadequate vertegenwoordiging als onze fundamentele reden voor misnoegdheid. En van deze valse schijnvertegenwoordiging hoopt hij dat ze nog niet haar volmaakte en diepste punt van verdorvenheid heeft bereikt. Hij vreest dat ‘er niets ondernomen zal worden om ons vooruit te helpen op weg naar die onontbeerlijke zegening, tot een of ander grof machtsmisbruik onze verontwaardiging oproept, of anders een grote ramp ons flink schrik aanjaagt, of wie weet, totdat de zuivere en evenredige vertegenwoordiging in andere landen schaamte bij ons opwekt, omdat wij met onze afschaduwing daarvan uitgelachen worden.’ En hij voegt hier een noot aan toe, in deze bewoordingen: ‘Een volksvertegenwoordiging, goeddeels gekozen door het Bestuur van de belastingen, en verder door een paar duizenden uit de droesem van de bevolking die voor hun stem gewoonlijk betaald worden.’
Hier zult u wel glimlachen bij de rechtlijnigheid van die democraten die in een onbewaakt ogenblik de meer bescheiden lagen van de gemeenschap met de grootste minachting bejegenen, en tegelijk voorwenden ervoor te zullen zorgen dat alle macht bij hen zal berusten.
________


* De Revolution Society was gesticht in 1788, ter herdenking van de Glorious Revolution een eeuw eerder – de term ‘revolutie’ had in Engeland toen nog een gunstige klank. Na de val van de Bastille stuurde de voorzitter van de Society, Charles Mahon, third Earl Stanhope, een felicitatiebrief aan de revolutionairen.
** Richard Price (1723-1791), dissidente presbyteriaanse predikant, voorstander van de Amerikaanse en Franse revoluties. Zijn A Discourse on the Love of Our Country van 4 november 1789, was voor Burke reden te meer voor het schrijven van de Reflections.

2 februari 2017

Verstoorde eendracht, in 1776


Het zou onkies zijn om in deze tijden van communautaire godsvrede het lelijke woord transfers te laten vallen. Niemand wil de loop van het rustig kabbelende Belgische beekje verstoren, en ik ook niet. Dat verfoeilijke wij-zij-denken ook altijd!
Maar nu viel in The Life of Dr Johnson mijn oog op een bladzijde die me vreemd genoeg bekend voorkwam, terwijl het jaar 1776 toch al ver achter ons ligt.
Door die tijdsafstand zal hopelijk niemand zich gekwetst voelen als ik die enkele paragrafen toch maar vertaal:

Het wetsvoorstel van Lord Mountstuart, tot oprichting van een Schots garnizoen, ter ondersteuning waarvan his Lordship zo bekwaam heeft gepleit in het House of Commons, ging nu zowat overal over de tongen.
JOHNSON. ‘Aangezien Schotland met zijn grondbelasting zo weinig bijdraagt tot het gezamenlijke budget van de natie, hoort het geen eigen strijdmacht te hebben die gespijsd wordt uit de algemene middelen, of men moest er al van uitgaan dat het in het algemeen belang was dat Schotland voor een buitenlandse invasie werd behoed, terwijl geen mens zal denken dat ze kan plaatshebben. Welke vijand immers zou Schotland binnenvallen, waar niets te rapen valt? Nee mijnheer, nu de Schotten niet langer de bij hen gelegerde Engelse soldaten hun soldij ter plaatse zien spenderen, door de grote aantallen troepen die naar het buitenland gestuurd worden, proberen ze op een andere manier geld los te weken, door voor een eigen garnizoen te laten betalen. Als zij bevreesd zijn, en in alle ernst een strijdmacht wensen voor hun verdediging, dan moeten zij daar maar voor betalen. Uw plan is het, om een deel van uw belastinginkomsten te behouden, door ons te laten instaan voor de kledij en soldij van uw leger.’ BOSWELL. 'Sir, u zou niet van wij en u mogen spreken: wij vormen een Unie nu.' JOHNSON. ‘Er zullen toch verschillende belangen blijven, want de verhouding van de belastingopbrengsten is zo scheef. Als Yorkshire zou zeggen: “In plaats van belastingen af te dragen, zullen we een groter garnizoen onderhouden”, dan zou dat onredelijk zijn.’
Bij deze redenering had mijn vriend het zeker mis. De landopbrengsten zijn even ongelijk verdeeld tussen verschillende delen van Engeland, als tussen Engeland en Schotland; nee, ook binnen Schotland zelf lopen die sterk uiteen. Maar tussen de talrijke takken van publieke ontvangsten, stellen de landopbrengsten maar een klein gedeelte voor, en al die andere betaalt Schotland net zo goed als Engeland. Een Franse invasie in Schotland zou al snel tot in Engeland doordringen.

James Boswell, The Life of Dr. Johnson; A.D. 1776
in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd
Everyman’s Library n°1, deel I, p. 608

29 januari 2017

Fransen, Schotten en Engelsen


Dr Johnson had niet het aangenaamste karakter, dat is algemeen bekend. Vooral over Schotten en Fransen kon hij lelijk doen. Frankrijk lag er bijvoorbeeld slordig bij, want al had God landschappelijk gesproken meer zijn best gedaan voor Frankrijk dan voor Schotland: de Fransen zelf hadden minder voor hun eigen land gedaan dan de Schotten. Die Schotten hadden er tenslotte nog van gemaakt wat ervan te maken viel.
Dit gezegd: Johnson was wel een man die graag een café bezocht, en zo iemand kan niet helemaal slecht zijn. Helaas verboden de dokters hem wijn en bier, en werd hij een waterdrinker. Spijtig. Eerst een verslagje van hem uit Parijs, toen nog geen lichtstad:

De winkelzaken in Parijs zijn armzalig; het vlees op de markten is van een kwaliteit die we in Engeland voor de gevangenissen zouden bestemmen, en Mr. Thrale merkte terecht op dat hun keuken de Fransen was opgedrongen door pure noodzaak, want hun vlees konden ze niet eten of ze moesten er eerst wat smaak aan geven. De Fransen zijn een ruw volkje, om het even op welke plaats spuwen ze maar. Ten huize van Madame ****, literair een grote bekendheid, nam de tafelknecht de suiker met zijn vingers en gooide hem in mijn koffie. Ik zou die hebben laten staan, maar hoorde dat hij speciaal voor mij was gezet, en ik proefde toen zelfs Tom zijn vingers.

Maar nu zijn we weer in Engeland, en Boswell vertelt:

We dineerden in een excellente gelegenheid in Chapel-house, waar hij uitweidde over het geluk dat Engeland had met zijn herbergen en eethuizen, en hij prees zich zalig naast de Fransen die geen caféleven met enige verfijning kenden. ‘Er is niet één particulier huis, (zei hij) waar mensen het evenzeer naar hun zin hebben als in een voortreffelijke herberg. Laat er nog zo’n overvloed aan lekkere dingen zijn, en zo’n grandeur, en zo’n elegantie, en zo’n ijver om iedereen op zijn gemak te stellen; het ligt niet in de aard der dingen: altijd zal er een bepaalde zorg en ongerustheid overblijven. De gastheer doet zijn best om de gasten te onderhouden, de gasten doen hun best om hem te behagen, en niemand kan, of hij zou al een onbeschaamde hond moeten zijn, in andermans huis vrijelijk bestellen wat de ander zoal in huis heeft, alsof hij in zijn eigen huis was. In een herberg daarentegen heerst de algehele zorgeloosheid. Dat je welkom bent, weet je zeker: en hoe luidruchtiger je bent en hoe meer je je laat gelden, en hoe meer lekkers je bestelt, hoe welkomer je bent. Geen huisknecht zal je bedienen met hetzelfde enthousiasme als dat van kelners, hiertoe aangezet door het vooruitzicht op onmiddellijke beloning naarmate ze je bevallen. Nee mijnheer, de mens heeft tot nog toe niets kunnen verzinnen dat zo veel plezier verschaft als een goede herberg of café.’ En daarna declameerde hij met grote ontroering de regels van Shenstone:
Elkeen die in het leven
Zijn saaie rondjes heeft gedraaid
Op welke scene maakt niet uit
Mag met een zucht bedenken
Dat het in een herberg was
Waar hij het warmste welkom vond

James Boswell, The Life of Dr. Johnson; A.D. 1776
in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd
Everyman’s Library n°1, deel I, pp. 586 en 619-20.

28 januari 2017

Y en a marre!


In het Frans heb je van die uitdrukkingen en termen die geweldig imposant klinken, maar die als je ze vertaalt eigenlijk iets gewoons betekenen. Een woord als “verrechtsing” heeft elke journalist hier al eens gebruikt, maar in het Frans kun je dat op twee manieren zeggen. Schrijf je voor de simpele krantenlezer, dan zeg je gewoon “droitisation”, maar als je ergens echt indruk wil maken, omschrijf dan de beweging die je bij het kiesvolk meent te zien als “dextrogyre”, wat naar rechts draait, met de klok mee. Een term die in de scheikunde van pas komt om kristallen enzovoort te beschrijven, en die de politicologie een wetenschappelijk tintje lijkt te geven. Alain de Benoist verkiest “droitisation”, maar gelooft weer niet dat er ook sprake is van een verrechtsing. Hij drukt zich meestal eenvoudig uit, al zou het blazoen van de familie misschien anders laten vermoeden.
Maar moeilijke termen zijn niet altijd te vermijden. Hieronder legt hij ons uit dat een term als “populisme” ten gronde wijst op verachting voor het volk:

Wel, ik heb dit boek geschreven omdat ik merkte dat het woord populisme door het veelvuldige gebruik voorgoed in de categorie van de verduurde woorden was geraakt, een elastieken woord als het ware. Een term met een voornamelijk pejoratieve klank mag je zeggen, en dit pejoratieve gebruik werkt als een verbod voor wie zich vragen zou stellen bij de aard, de essentie ervan.
Mijn boek is helemaal geen pleidooi ten gunste van het populisme. Om te beginnen al niet omdat dit weinig zou voorstellen, gezien de verscheidenheid van populismen, nee, het is een politiek-wetenschappelijke proeve die wil achterhalen wat populisme is.
In welke mate is het een nieuw verschijnsel? In welke mate is het eventueel iets anders dat de kop opsteekt? U sprak al over het boulangisme, en dat is geen kwaad voorbeeld van populisme van de oude stempel. Dit wat de opzet van mijn boek betreft.

Wat we in een eerste benadering kunnen zeggen over het populisme, is dat het voortspruit uit een fenomeen dat we al lang kennen, maar dat voortdurend meer om zich heen grijpt, namelijk de argwaan waarmee de gewone man, en in toenemende mate zelfs ook de middenklasse, de elite bekijkt, of het nu een politieke, economische, financiële, sociale of media-elite betreft. De mensen vertrouwen hen niet meer, dat zien we in vele bevragingen: ze hechten er niet langer geloof aan. Men heeft wel gesproken over de “secessie van het plebs”, om een oude omschrijving te gebruiken,* en dat is het ook min of meer. Een flink deel van de bevolking, stilaan twee derden nu al, houdt zich ver van wat men noemde de beleidspartijen, te weten de oude politieke partijen, en laat weten dat ze er geen oren meer naar hebben.

Daar zijn vanzelfsprekend verschillende redenen voor. Een daarvan is wat men de ‘representatiecrisis’ genoemd heeft, wat betekent dat het volk zich niet meer vertegenwoordigd voelt door de elite, dat die elites de macht ten eigen bate zo goed als geconfisqueerd hebben, enkel voor hun eigen profijt, terwijl het volk buitenspel blijft.
Een ander zeer belangrijk element is de opmerkelijke hergroepering van de programma’s naar het centrum toe. Peilingen bewijzen al dertig jaar dat het aantal steeds maar aangroeit van mensen die niet meer inzien, niet meer begrijpen wat links nog van rechts onderscheidt. Dat ligt nu al rond de tachtig procent. Als het zo zit, en laat bij sommige verkiezingen dit feit nog gemaskeerd blijven, zeker bij presidentsverkiezingen die immers een nogal klassieke tweeledigheid opleveren, dan blijft niettemin dat de mensen het verschil tussen linkse en rechtse partijen niet goed meer zien, en dat die partijen zelf met een diepe identiteitscrisis te maken hebben, en dat is tegenwoordig heel goed te merken zowel bij links als bij rechts. Kijk bijvoorbeeld naar de debatten ter gelegenheid van de voorverkiezingen in de socialistische partij.
Een derde zeer belangrijk element is dat we de jongste decennia bijzonder grote omwentelingen hebben gezien in het dagelijks leven van de bevolking, zaken met grote draagwijdte. Ik denk hier aan drie voorname ontwikkelingen. Vanzelfsprekend is een ervan de immigratie, een tweede de mondialisering, en ten derde de gevolgen van de Europese constructie.

In die drie gevallen hebben we een eenstemmig en behaaglijk spinnend discours te horen gekregen, dat hierop neerkwam dat de immigratie een uitzonderlijke buitenkans was voor Frankrijk, dat de mondialisering een gelukkige zaak was, en dat voor het merendeel van de problemen Europa de oplossing zou brengen. En daarna hebben de mensen in hun dagelijks bestaan vastgesteld dat dit niet helemaal klopte. Dat de immigratie toch wel een aantal samenlevingsziekten meebracht, problemen met de openbare veiligheid waarmee het gewone volk direct te maken kreeg, problemen die natuurlijk nog verergerden met de opkomst van het politiek islamisme, het jihadisme, de aanslagen enzovoort, die het klimaat hebben geschapen dat iedereen kent. De mondialisering kwam voor de meeste mensen neer op een begrotingsdiscipline die hard aangevoeld werd, zowel wat de salarissen betreft als de manier van leven, de koopkracht, met daarbij het fenomeen van de delokalisaties, waardoor Europese arbeiders brutaal met de concurrentie te maken kregen van exotische werkkrachten die voor een bespottelijk laag loon arbeiden, en dan ook nog eens met een Europa dat zogezegd een hoop problemen zou oplossen, maar juist een supplementair probleem is gebleken. Wat maakt dat Europa – en dat vind ik een droevige zaak – als een soort kop van Jut dient.

Komt nog bij dat de mensen goed weten dat bij die drie problemen, de immigratie, de mondialisering en Europa hen nooit om hun mening werd gevraagd. Of als dat een enkele keer toch gebeurde, men geen rekening heeft gehouden met hun stem. En hier mag eraan herinnerd worden dat de stemming in 2005, bij het referendum over het Verdrag van Maastricht, onbetwistbaar een ontstaansmoment voor het populisme in Frankrijk is geworden. Dat was toen al een perfect voorbeeld van het fenomeen populisme. We weten dat alle grote partijen zegden: je moet ja stemmen. Alle waarnemers zegden: je moet ja stemmen. Alle radio- en televisiezenders zegden: je moet ja stemmen. En de peilingen zegden: er is geen probleem, het ja zal het vanzelfsprekend halen.

En dan, tja, werd het neen. Verbijstering alom, afgrijzen, woede, en precies hetzelfde zagen we bij de Brexit en daarna bij de verkiezing van Trump. Tot op het laatste moment heeft iedereen verklaard: het is nogal evident dat er geen Brexit komt, en het kan niet anders dan dat Hillary Clinton wordt verkozen. Ik herinner me dat ik tot nogal laat in de nacht de presidentsverkiezing heb gevolgd, en tot op de laatste minuut, nietwaar, vertelden alle journalisten ons dat er geen probleem was, want Hillary Clinton zou het halen.

Telkens weer zien we dus hetzelfde tafereel, en het onmiddellijke gevolg hiervan is dat de media dan uitbarsten tegen het populisme, en al snel ook tegen het volk. Dat doet me denken aan een uitval van Daniel Cohn-Bendit, die tenminste de verdienste van radicaliteit en openhartigheid had, en die zei: het volk ben ik kotsbeu!
Eigenlijk verwoordde hij daar op een bijzonder brutale manier wat de heersende politieke klasse denkt. Dat volk zijn we kotsbeu, want het wil nooit stemmen zoals we dat van hen verwachten, het lukt ons niet hen achter de heersende ideologie te scharen, en het gaat van kwaad naar erger.
__________
*Bij Livius en Cicero kun je lezen over de eerste secessio plebis (494 aCn), waarbij de plebejers de stad Rome massaal verlieten om zo rechten af te dwingen van het patriciaat.



Alors, j’ai écrit ce livre parce que je me suis aperçu que le mot populisme était désormais entré dans la catégorie des mots qui ont trop servi, c’est-à-dire des mots caoutchoucs en quelque sorte, et c’est devenu un terme, il faut bien le dire surtout péjoratif, et dont l’usage péjoratif interdit en quelque sorte que l’on s’interroge pour en connaître la nature, l’essence.
Mon livre n’est pas du tout un livre en faveur du populisme. D’abords parce que ça ne veut pas dire grand-chose, compte tenu de la diversité des mouvements populistes, mais c’est une tentative qui s’inscrit dans une démarche de science politique, pour savoir, qu’est-ce que c’est le populisme? En quoi c’est une nouveauté. En quoi c’est la résurgence éventuellement d’autre chose ? Vous parliez du boulangisme, qui n’est pas un mauvais exemple de populisme à l’ancienne. C’est ça le fond de ma démarche.
Alors qu’est-ce qu’on peut dire en premier analyse sur le populisme, c’est qu’il est le résultat d’un phénomène qu’on constate depuis longtemps, mais n’a cessé de s’accélérer, c’est l’extraordinaire défiance des classes populaires, et même plus largement d’une grande partie des classes moyennes, envers les élites, qu’elles soient politiques, économiques, financières, sociales ou médiatiques. Les gens n’ont plus confiance, et on le voit dans toute une quantité de scrutins: ils n’y croient plus. On a pu parler de sécession de la plèbe, pour reprendre une vieille expression, c’est un peu cela. Toute une partie de la population, qui n’est pas loin des deux tiers aujourd’hui, prend de la distance vis-à-vis de ce qu’on appelait les partis de gouvernement, c’est-à-dire les vieux partis politiques, et puis fait savoir qu’il n’en veut plus.
Alors il y a à cela évidemment plusieurs raisons. L’une de ces raisons c’est ce qu’on a appelé la crise de la représentation, c’est-à-dire le fait que le peuple considère qu’il n’est plus représenté par les élites, que les élites ont en quelque sorte confisqué le pouvoir à leur propre profit, en fonction de leurs seuls intérêts, et puis que eux sont marginalisés.
Un autre élément très important a été le recentrage prodigieux du programme. Les sondages montrent que depuis trente ans, le nombre de gens qui ne voient plus, qui ne comprennent plus qu’est ce qui sépare les partis de droite et les partis de gauche, n’a cessé d’augmenter. Il est aujourd’hui de l’ordre de quatre-vingt pourcent, hein. Alors, même si c’est masqué à la faveur de certains scrutins, notamment d’élections présidentielles, qui créent une bipolarisation de type assez classique, il n’empêche que les gens ne voient plus très bien la différence entre les partis de droite et les partis de gauche, que ces partis sont eux-mêmes confrontés à une des grandes crises d’identité, que l’on voit très bien dans les partis de droite et les partis de gauche à l’heure actuelle. Regardez les débats à l’intérieur de la primaire du parti socialiste, par exemple.
Un troisième élément très important a été que ces dernières décennies nous avons assisté à des phénomènes extrêmement importants de transformation de la vie quotidienne des gens, de phénomènes d’une grande ampleur. Je pense à trois phénomènes principaux. Évidemment, d’une part la question de l’immigration, d’autre part la mondialisation, et troisièmement les conséquences de la construction européenne.
Alors il y a eu dans ces trois occurrences un discours consensuel et ronronnant, c’est-à-dire que on nous a expliqué successivement que l’immigration était une grande chance pour la France, que la mondialisation serait heureuse, et que l’Europe allait apporter une solution à la plupart des problèmes. Et puis les gens, dans leur vie quotidienne, ont constaté que ce n’était pas exactement ça. Que l’immigration engendrait quand même un certain nombre de pathologies sociales, des problèmes d’insécurité, auxquelles les classes populaires étaient directement confrontées, problèmes qui s’étaient évidemment encore aggravés avec la montée de l’islamisme politique, du djihadisme, les attentats etcetera, et qui ont créé le climat que vous connaissez. La mondialisation pour la plupart des gens s’est traduite par d’abord une rigueur budgétaire qui a pesé lourdement, à la fois sur les salaires, sur les modes de vie, sur le niveau de pouvoir d’achat, avec le phénomène des délocalisations, avec la mise en concurrence brutale des travailleurs européens avec des mains-d’œuvre de pays exotiques travaillant pour des sommes absolument dérisoires, et enfin l’Europe qui devait être une solution à une foule de problèmes, s’est avérée être un problème supplémentaire. Ce qui fait qu’aujourd’hui l’Europe – ce que je trouve triste d’ailleurs – l’Europe est considérée comme une sorte de repoussoir.
Or sur ces trois problèmes, que sont l’immigration, la mondialisation, et l’Europe, eh bien, les gens voient bien qu’on ne les a jamais consultés. Et que les rares fois où ils ont été consultés, on n’a pas tenu compte de leur vote. Et c’est là qu’il faut rappeler que, un point de départ du populisme en France a été incontestablement en 2005, le vote sur le referendum sur le traité constitutionnel européen, qui était déjà le modèle parfait du phénomène populiste. C’est-à-dire que tous les grands partis disaient: il faut voter oui. Tous les grands journaux disaient: il faut voter oui. Tous les observateurs disaient: il faut voter oui. Toutes les chaînes de radio-télévision disaient: il faut voter oui. Et les sondages disaient: il n’y a pas de problème, le oui va évidemment l’emporter. Et là-dessus, eh bien, c’est non. Et stupeur, effroi, fureur, et c’est exactement le même phénomène que l’on a vu se reproduire avec le Brexit, puis avec l’élection de Trump. Jusqu’au dernier moment tout le monde a dit: c’est évident, le Brexit ne se fera pas, Hillary Clinton devra être élue. Je me souviens d’avoir suivi l’élection présidentielle assez tard dans la nuit du vote. Jusqu’à la dernière minute, n’est-ce pas, tous les journalistes qui étaient là nous disaient, il n’y a pas de problème, c’est Hillary Clinton qui l’emporte.
Donc, à chaque fois, on retrouve ce même phénomène, et la conséquence immédiate de ce phénomène c’est un déchaînement médiatique, contre le populisme, et en fait très vite contre le peuple. Je me souviens de l’apostrophe de Daniel Cohn-Bendit, qui avait au moins le mérite de la radicalité et de la franchise et qui disait : y en a marre du peuple!
Et au fond il disait de manière très brutale ce que pense la classe politique dominante. C’est-à-dire que le peuple, y en a marre, parce que le peuple il ne vote jamais comme on attend qu’il vote, on n’arrive pas à le rallier à l’idéologie dominante, et le phénomène a augmenté en proportion.

26 januari 2017

Die vlieger gaat niet meer op


Alain de Benoist is een naam die sinds kort ook in deftige programma’s mag vallen – ik hoorde hem recent nog in een Trio, bij Klara. Gewoonlijk noemt men hem ‘nieuwrechts’, wat dat ook moge betekenen want als je een goede kritiek op het kapitalisme wil lezen kun je bij hem wel terecht.
Hieronder heeft hij het in een vraaggesprek over het onderscheid links-rechts, over populisme, over het Franse socialisme – dat water maakt en zelfs aan het zinken is – en ik pik er drie minuten uit. De vraag waarop de Benoist antwoordt, luidde: kunnen we spreken van een verrechtsing van de bevolking?

Meer bepaald wat betreft zeden en gewoonten meen ik niet dat er speciaal van een verrechtsing sprake is. Ik geloof niet dat de mensen zich hoe langer hoe minder interesseren voor de sociale kwesties, die vaak veeleer aan de linkerzijde toevielen. Eerder denk ik dat wij de gevolgen voelen – ik heb dit element niet behandeld [in mijn boek] maar voor het ontstaan van het populisme is het van kapitaal belang: het is de kloof die men heeft gecreëerd tussen de linkerzijde en het volk. 
Historisch werd links altijd verondersteld het volk, te weten de verdrukten, het proletariaat, beter te verdedigen dan wat rechts liet zien. Dat was in een bepaalde periode ook zo maar vandaag zien zij, het is niet anders, dat volk elders heenlopen. De voormalige kiezers van de Communistische Partij – die enkel nog een schim is – stemmen nu grotendeels voor het Front National, en klassiek links heeft gekozen voor een andere ideologie dan het socialisme, en wel voor een soort van libertair sociaalliberalisme – de hersenspinsels of grillen van nu de enen, dan weer de anderen, het neofeminisme, de hedendaagse kunst, de strijd tegen alle mogelijke discriminaties en zoveel meer: allemaal zaken waar de gewone man geen moer om geeft. De individuele vrijheden zijn in de plaats gekomen van de verdediging van het proletariaat, het thema van de klassenstrijd enzovoort.
Links heeft zich met andere woorden in groten getale achter het marktprincipe geschaard, achter de markteconomie, en per slot van rekening koestert het zich op zijn gemakje in een soort liberaal maatschappijbeeld. Zo treedt de strategie in werking die voor een paar jaar, in 2011 was het meen ik, werd voorgesteld door de fameuze studiegroep Terra Nova, die stelde dat gezien de ontwikkelingen en de huidige tijdsgeest, de Socialistische Partij haar traditioneel kiespubliek moest laten varen, de ambtenaren dus, de arbeiders, de gewone man, ten voordele van de bobo’s, de immigranten en de vrouwen. Zo zat men op de lijn van de ontwikkelingen bij de Amerikaanse Democraten.
En zo is de kloof uitgediept. Het volk herkent zich niet meer in links, en links hoort liever niet te veel meer praten over het volk. En dat is in die mate waar, dat je de kritiek hoort aanzwellen telkens als de bevolking een andere stem uitbrengt dan wat links van hen verwacht. Men levert kritiek op referenda – de manier waarop David Cameron werd bekritiseerd omdat hij ongelukkigerwijs zijn landgenoten heeft willen raadplegen over een toch wel belangrijke zaak, te weten de Brexit – en je merkt ook dat er meer en meer kritiek loskomt.
Je mag wel zeggen dat deze mensen nooit een les trekken uit een stembusresultaat, en nooit de vraag in overweging nemen: wat wil het volk eigenlijk? Terwijl dit, laten we daar even aan herinneren, in een democratie de constituerende macht is. In plaats daarvan beraden zij zich over een manier waarop men eventueel zou kunnen regeren buiten het volk om. Dat valt onder wat men “beheer” is gaan noemen. We zien vandaag zelfs dat de kritiek op het algemeen stemrecht uitbreiding neemt, klaarblijkelijk met als doelstelling een soort censuskiesstelsel in ere te herstellen, wat alweer zou toelaten zich van het volk los te werken. Bon. En die ingesteldheid, wel, die vlieger gaat niet meer op.


(na 18'15" in het programma) Sur le plan des mœurs en particulier, je ne crois pas qu’il y ait tellement une droitisation. Je ne crois pas non plus que les gens s’intéressent de moins en moins aux questions sociales, qui étaient parfois plutôt situées à gauche. Je crois plutôt que l’on subit les conséquences – c’est un facteur que je n’ai pas évoqué mais qui est absolument capital dans la formation du populisme : c’est le fossé qui s’est créé entre la gauche et le peuple. La gauche historiquement est toujours prétendue défendre le peuple, lequel est les couches dominés, le prolétariat, les classes populaires mieux que ce que faisait la droite, ce qui était vrai à une certaine époque, et aujourd’hui, eh bien, elle les voit filer ailleurs. Les anciens électeurs du parti communiste – qui n’est plus qu’une ombre – votent maintenant essentiellement pour le Front National, et la gauche classique a fait le choix d’une autre idéologie que celle du socialisme, qui est celle d’une sorte de social-libéralisme libertaire, où les droits individuels – les fantasmes ou les caprices des uns et des autres, le néo-féminisme, l’art contemporain, la lutte contre toutes les discriminations, et toutes ces choses-là : toutes choses dont le peuple se fiche totalement – ont remplacé la défense du prolétariat, le thème de la lutte des classes etcetera.
En d’autres termes, la gauche dans ses plus gros bataillons s’est ralliée au système du marché, à l’économie du marché, et finalement s’ébroue à son aise dans un certain libéralisme sociétal. C’est la mise en œuvre de la stratégie qui a été proposée il y a déjà quelques années, 2011 je crois, par la fameuse association Terra Nova, qui avait dit que, compte tenu de l’évolution des choses, de l’air du temps, le Parti Socialiste devait abandonner son électorat traditionnel, c’est-à-dire les fonctionnaires, les travailleurs, les couches populaires, au profit des bobos, des immigrés, des femmes. C’était un alignement sur l’évolution du parti Démocrate américain. Donc le fossé s’est creusé. Le peuple ne se reconnaît plus dans la gauche, et la gauche ne veut plus tellement entendre parler du peuple. Et c’est si vrai que chaque fois que le peuple vote autrement que ce qu’en attend la gauche, on voit enfler les critiques. Critique du référendum – la façon dont David Cameron a été critiqué pour avoir eu le malheur de vouloir consulter ses compatriotes sur une question, qui est quand même importante hein, à savoir le Brexit – on voit se multiplier les critiques. C’est-à-dire que ce sont des gens qui ne tirent jamais la leçon des votes, qui ne se disent jamais : au fond que veut le peuple? Qui est dans une démocratie, il faut le rappeler, représente le pouvoir constituant, mais qui s’interrogent sur la façon dont on pourrait en quelque sorte gouverner sans le peuple. C’est le thème de ce qu’on a appelé la gouvernance. On voit même à l’heure actuelle se multiplier les critiques contre le suffrage universel, l’objectif étant en toute évidence de restituer une sorte de suffrage censitaire, qui permettrait là encore de déconnecter le peuple. Bon. Et cette situation, eh bien c’est la situation qui ne marche plus.

24 januari 2017

Mosselen en zeevruchten


Vandaag besteden we aandacht aan een wat moeilijker woord, dat niet overal en alvast niet door alle journalisten en zelfs niet door hun hoofdredacteurs(-trices) goed begrepen wordt. Het gaat om ‘generiek’ of ‘generisch’, een term afkomstig van het Latijnse ‘genus; generis’: soort, aard, slag (zoals in: cuiusque generis homines: mensen van alle slag, een mooie mix zoals dat tegenwoordig heet).
Het is een verbredende term die een 'categorie' omschrijft: ‘de mens’ bijvoorbeeld, maar niet één individuele mens.
Zoals de scholastici ons echter leerden, mag iets als ‘de mens’ of ‘het paard’ al of niet bestaan, maar: áls die categorieën een echt bestaan leiden, dan in geen geval op de manier dat een mens of een paard bestaan. Sommigen beschouwden het gebruik van een algemene, omvattende term zelfs als een ‘flatus vocis’, een wind van de stem. We gaan hier kiesheidshalve niet op in, al ontsnappen universalia iedereen wel eens.

Laten we, om het eenvoudig te houden bij de lagere dieren blijven. Mosselen en oesters kunnen we eventueel aanduiden met de generieke term ‘zeevruchten’, maar ook kokkels, venusschelpen, platschelpen, kamschelpen, jakobsschelpen, steenmosselen, kreukels, wulken en kinkhoorns vallen eronder. En al zitten ze niet zoals de bovengenoemde lekkernijen onder een even harde schelp: ook garnalen, zwemkrabben, spinkrabben, gewone krabben, langoesten, langoustines, kreeften, zee-egels en zeesprinkhanen bedoelen we als wij de generieke term ‘zeevruchten’ gebruiken.
De gewone man heeft geen probleem met die universalia. Een Brusselaar die net twaalf moules parquées naar binnen heeft gespeeld, zal aan de garçon niet zeggen dat hij zijn schotel fruits de mer excellent vond. Hij heeft enkel mosselen gegeten en daarmee uit. Overigens, als u mij deze digressie toestaat, kon je lang geleden ook in Gent moules parquées vragen, in café Den Turk bijvoorbeeld, maar nu zie je ze hier nergens meer.
Maar om terug te keren tot de kwestie van dat ‘generiek’: als een hoofdredactrice zegt dat ‘vluchtelingen’ een generieke term is voor ‘migranten’, ‘illegalen’, asielzoekers of weet ik veel, dan heeft ze het slecht voor. Met ‘zeevruchten’ worden bijvoorbeeld ook geen haringen of kabeljauwen, tongen, tarbotten of wijtingen aangeduid, al leven die ook in de zee.
Maar misschien bedoelde ze een alternatieve betekenis te construeren?
De termen ‘alternatief’ en ‘constructief’ vallen helaas buiten het bestek van deze les. Misschien kunnen we het er later nog eens over hebben, intussen dit al:
– Alternatief: eveneens van het klassieke Latijn, afgeleid van het supinum ‘alternatum’ (van alternare), afwisselen; ook: om beurten iets doen, zeggen of zingen.
– Constructief: van het laat-Latijnse constructivus: geschikt om er iets mee te bouwen.

20 januari 2017

Een grapje dat veel verraadt


Christophe Barbier is redactiedirecteur van het Franse blad L’Express, in 1953 gesticht door Jean-Jacques Servan-Schreiber en Françoise Giroud, twee grote namen in die tijd. Het behoort tot de kapitaalgroep waaronder ook Libération ressorteert.
Bon, laten we nog een paar prestigieuze namen noemen die in L’Express geschreven hebben: Camus, Malraux, Mendès-France, Arrabal, Mauriac, Mitterrand, Françoise Sagan, Aron, Sartre, Pierre Salinger. Die namen zijn ook hier nog bekend, hopelijk.



Het blad had eerst een uitgesproken socialistisch profiel, maar schoof geleidelijk naar een – wat mij betreft hypothetisch – ‘midden’, en vandaag omschrijft hun redactiedirecteur L’Express als volgt: « ni de droite ni de gauche, il est au-dessus de la mêlée ». Over een tegenstelling links-rechts willen ze dus niets meer horen.

De redactiedirecteur ziet blijkbaar wel een nieuwe tegenstelling: die tussen de sociale media en de echte, gevestigde, met andere woorden goede media. Eigenlijk moesten die sociale media aan banden worden gelegd, vindt Barbier. Hij pleit voor censuur, en waarachtig niet alleen hij: vele journalisten en andere weldenkenden doen dit al langer dan sinds gisteren of vandaag. Er zijn voorbeelden te over. Wat vertelde Barbier nu op de Franse tv-zender BMF?

Hij begon met: “Het internet is geen no man’s land. Men kan zaken juridisch bevechten.” Dit lijkt me onbetwistbaar, en het gebeurt ook, maar Barbier raakt wat in verwarring: “Internet is een gebied waar straffeloosheid heerst, want het ontploft in alle richtingen.” Hoe Barbier zich “un champ d’impunité” voorstelt waar niettemin juridisch ingegrepen kan worden, is wellicht enkel voor hemzelf duidelijk. Hij wordt nu gelukkig wat concreter: “Maar het internet kan wel degelijk in goede banen worden geleid… onder ons gezegd: de Chinezen slagen daar wel in! En als dictaturen het kunnen, dan moeten evengoed ook de democratieën zich inspannen om op het internet de wet te laten respecteren.”

Nu valt niet uit te sluiten dat deze roekeloze bekentenis van hem samenhangt met de slechte cijfers van L’Express. Tussen 2014 en 2015 ging hun oplage met 16,5 procent achteruit: op een jaar tijd haakte een van elke zes lezers af.

Le poison de la jalousie, inderdaad.

11 januari 2017

Post-truth in 1773


De lexicograaf Samuel Johnson hield in Londen een of twee keer per week een literary club in de Mitre Tavern. Ongeveer zoals men in die tijd in Parijs salons had, maar in deze club ging het zonder vrouwen. Er werd veel portwijn gedronken, en men sprak over alle onderwerpen. Soms had men het blijkbaar ook over wat wij nu samen met de Oxford English Dictionary 'post-truth' mogen noemen, al zou in Johnson's Dictionary een dergelijk Amerikaans woordbrouwsel nooit zijn weg hebben gevonden. Johnson hield het nog bij woorden die echt iets betekenen. 
In tegenstelling tot onze dagen verschenen er toen ook in de mainstream media veel verdraaiingen en leugens, in de grote kranten en tijdschriften. Niet enkel in roddelblaadjes dus, zoals tegenwoordig in de sociale media zegevierde de leugen met af en toe een harde waarheid ertussendoor
Wie vaak liegt  of belangrijke zaken verzwijgt, zeg ik erbij  wordt ongeloofwaardig. We lezen bij Johnson's biograaf, de Schotse advocaat James Boswell volgend gesprek:*

Goldsmith.** "There are people who tell a hundred political lies every day, and are not hurt by it. Surely, then, one may tell truth with safety." Johnson. "Why, Sir, in the first place, he who tells a hundred lies has disarmed the force of his lies. But besides; a man had rather have a hundred lies told of him, than one truth which he does not wish should be told." Goldsmith. "For my part, I'd tell truth, and shame the devil." Johnson. "Yes, Sir ; but the devil will be angry. I wish to shame the devil as much as you do, but I should choose to be out of the reach of his claws." Goldsmith. "His claws can do you no harm, when you have the shield of truth.

Goldsmith. “Er zijn mensen die elke dag honderd politieke leugens verkopen en daarmee wegkomen. De waarheid vertellen moet dan wel volkomen gevaarloos zijn.” Johnson. “Wel, eerst en vooral, Sir, haalt diegene die honderd leugens vertelt het effect van zijn leugens onderuit. En wat meer is: een mens heeft liever dat men honderd leugens over hem vertelt, dan die ene waarheid die hij niet graag hoort vertellen.” Goldsmith. “Wat mij betreft, ik zou de waarheid zeggen en aan die duivelse bekoring weerstaan.” Johnson. “Juist Sir. Maar de duivel zal boos worden. Niet minder dan u wens ik aan de verleiding te weerstaan, maar toch zou ik proberen uit zijn klauwen te blijven.” Goldsmith. “Zijn klauwen kunnen geen kwaad doen aan wie het schild van de waarheid bezit.”
________
* in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd.– Everyman’s Library n°1, deel I, p. 460.
** De Ier Oliver Goldsmith (?1730-1774) kennen we nog van The Vicar of Wakefield (1766). Hij was goed bevriend met Samuel Johnson.

[van links naar rechts: James Boswell, Samuel Johnson, Joshua Reynolds, David Garrick, Edmund Burke, Pasquale Paoli, Charles Burney, Thomas Warton en Oliver Goldsmith]

6 januari 2017

Over valse nederigheid


De paniek slaat overal toe bij de redacties, ook bij Le Monde, maar van goede voornemens is nog niet veel te merken:

La généralisation de la norme post-vérité nous concerne d’abord nous, journalistes et professionnels des médias, européens autant qu’américains, asiatiques ou africains, parce qu’elle a fondamentalement bouleversé l’environnement dans lequel nous travaillons et les valeurs sur lesquelles nous nous appuyons. À la base du travail des médias se trouvent les faits, qu’ils sont censés rapporter et, ensuite, commenter. Les faits concourent à établir la vérité. Dans ce contexte, il arrive aux médias de faire état de faits erronés ; en principe, ces erreurs sont involontaires et font l’objet de corrections.
Dans l’ère de l’information post-vérité, aussi appelée «post-faits», la vérité n’est plus toujours la valeur de base. Les faits ne sont plus fondamentaux.

Zoiets verdient naast een vertaling ook enige [duiding]:

Dat “de waarheid voorbij” (post-vérité, post truth) gemeengoed en norm is geworden, gaat in de eerste plaats ons als journalisten en mediaprofessionals aan, of we nu Europeanen zijn, Amerikanen, Aziaten of Afrikanen. [Op een paar continenten na de hele wereld dus. Je heet natuurlijk niet voor niets Le Monde] Onze werkomgeving en de waarden waarop wij steunen zijn hierdoor immers grondig dooreengeschud. Voor de media dienen de feiten als grondslag, en deze worden zij verondersteld te rapporteren, en vervolgens van commentaar te voorzien. [Meestal is de commentaar als eerste persklaar, en geeft men vervolgens spaarzaam enkele feiten die daarbij passen. Andersoortige feiten moeten helaas vaak wegvallen, vermoedelijk wegens plaatsgebrek. Daarom ook is de Duitse term gatenpers, Lückenpresse veel accurater dan leugenpers, Lügenpresse, wat je vanzelfsprekend ook vaak leest. Carrément liegen lukt tegenwoordig niet meer zo goed, door de sociale ...controle. En de recente maar helaas lachwekkende redactionele uitvinding van de fact checkers die je nu overal ziet, onder druk van die externe controle, heeft daar niet veel aan veranderd] Feiten helpen de waarheid achterhalen. Wat dit betreft overkomt het de media dat zij verkeerdelijk iets als feit melden; in principe zijn die vergissingen onvrijwillig en worden zij rechtgezet. [Een nederigheid die we tot voor kort niet gewoon waren, al ben ik van die onvrijwilligheid niet altijd overtuigd. Maar inderdaad, Ignorance, Madam, pure ignorance, om met Dr Johnson te spreken, kan vaak veel verklaren. Belangrijk natuurlijk bij dat rechtzetten of corrigeren is de timing. Komt een rechtzetting laat genoeg, dan is het oorspronkelijke doel immers al bereikt en kan het geen kwaad meer. Denken we bijvoorbeeld aan de leugens rond Timișoara, rond de couveuses van Koeweit, of aan de propaganda die tot de bombardementen op Libië leidde. De onvermijdelijke rechtzettingen waren toen perfect getimed en de oorlogen konden rustig gevoerd worden. En er zijn wel meer voorbeelden te geven.]
In het post-waarheid-, of zoals men het ook noemt het «post-feiten»-tijdperk, is de waarheid niet altijd meer de basiswaarde. Feiten zijn niet langer fundamenteel.

[Wanneer eigenlijk waren ze dat wél, Le Monde?]


21 december 2016

Een bokser die 'zochte stoat' *


De weg naar een minder door terreurangst beheerste samenleving, waar ook weer echt ‘samen’ geleefd wordt, is lang, schrijft Bart Eeckhout in De Morgen. Maar wanneer dat echt samenleven er dan wel was, vernemen we niet. En minder terreurangst, ter vervanging van gewoon terreurangst klinkt nogal defaitistisch, niet? Vroeger, in een onbenoemd verleden was alles beter lijkt Bart te denken, maar die incorrecte, blasfemische gedachte wist hij nog op tijd te onderdrukken.
Wel brengt hij respect op voor Merkels morele en pragmatische keuze om bloedvergieten aan de Europese grenzen te vermijden. Het pragmatische bloed vloeit dan maar in eigen land, want dat “moreel” zal wel op bloedvergieten aan de grenzen slaan.
Die twee begrippen, moreel en pragmatisch, zijn filosofisch slecht verenigbaar, maar dat zou ons en alvast Bart te ver voeren.
We lezen ook over een moslimgemeenschap die volwaardig opgenomen moet worden in de Europese seculiere samenleving. Een mooie zin, maar Bart had toch beter eerst een paar van die elf woordjes opgezocht, te beginnen misschien bij “seculier”, “moslim” en “Europa”. Wat hij met “volwaardig” bedoelt mag hij dan verder proberen in te passen in zijn complexe gedachte.
Ach, wat schrijft een journalist allemaal niet als zijn argumenten versleten zijn, en dat besef misschien ook in zijn vermoeide brein langzaam doordringt?
Om te beginnen wordt zijn geschrijf dan stilistisch helemaal een boeltje. Feitelijke inefficiëntie, lees ik. Kan iets ook inefficiënt zijn buiten de feiten om? Enig etymologisch inzicht had hem hier alweer kunnen helpen.
En wat te denken van zijn spreekwoordelijke dolgedraaide fanaticus? Bart blijkbaar wel, maar ik ken geen spreekwoord waarin een fanaticus voorkomt.
Die stilistische dingetjes, het zijn maar details, wijzen natuurlijk op radeloosheid, vertwijfeling, op uitgebabbeld zijn, op niet meer weten van welk hout pijlen gemaakt, en op half verdoofd snakken naar de verlossende bel.
_____________

* Gents voor een bokser die niet meer goed reageert na een slag of een reeks slagen.

15 december 2016

Een sterk interview!


De Associated Press-journalist Matthew Lee, die voor AP Washington verslaat, gaf destijds een eerlijk interview aan de Russische zender RT. Interviewster daar was Gayane Chichakyan. Het is drie jaar oud maar ik had het nog nooit gezien.
Het hele gesprek was interessant en u kunt het hier bekijken, maar zeker deze passage beviel me:



I think that they owe the people that they govern an explanation of what they’re doing in our name. And oftentimes it’s really, really difficult to drag that out because, one, the policy is inconsistent, or two, they don’t know, they don’t really know what they’re doing. You know, I think the Arab spring caught a lot of people by surprise, and there was a lot of confusion, no one really knew what exactly what to do and I think that continues to this day, I mean…

14 december 2016

Onze Saskia is al een flinke meid


Soms lees ik bij mijn avondeten een ochtendkrant. Dat zal u niet verwonderen want avondkranten hebben we niet meer. “Le Soir! Le Soir pour demain!”, dat is al lang geleden. Nochtans heeft het zeker voordelen om pas ’s avonds een krant te lezen: ook dan erger je je wellicht aan het niveau van de schrijfsels, maar je kruipt toch al spoedig onder de lakens, met een goed boek bijvoorbeeld, en dan maakt het niet meer uit.
Nu las ik daarnet in De Morgen een artikeltje – niet helemaal van a tot z natuurlijk want je moet je eten niet laten bederven – en dat bleek geschreven door een zekere Saskia De Coster. Ik dacht die naam al eens gehoord te hebben maar kon hem niet thuisbrengen. Voor de zekerheid knipte ik een klein stukje uit de krant, het was al tegen sluitingsuur en dan mogen die dingen. Nu had de krant me dat knipwerk wel gemakkelijk gemaakt, want ze hadden zelf een zinnetje uitgekozen en het in een apart vakje gezet. Wellicht beseffen zij dat niet al hun lezers graag het hele verhaal lezen. Ik neem zonder meer aan dat zij vakkundig het beste zinnetje eruit gepikt hebben. Als bijkomende zekerheid schreef ik haar naam erop want onderweg naar huis, al is het maar vijftig meter ver zoals in mijn geval, kan een mens iets vergeten. Maar dan is er Wikipedia, en ik zag dat deze jongedame een echte auteur is, met al enkele boeken op haar naam die echt gepubliceerd zijn! Of ik ze echter ooit zal lezen kan ik haar niet beloven want het zinnetje dat De Morgenredactie een kadertje waard achtte, vond ik literair gesproken weer niet zo geweldig:

“Als politieke maagd en antipoliticus is Trump een nog grotere hoer 
dan alle traditionele politici bij elkaar.”


Maar laten we de zaak positief bekijken: is het voor de emancipatie geen winstpunt dat niet enkel oudere heren grofheden en dwaasheden vertellen – op sociale media vaak – maar dat ook een jongedame met een computertje dat nu kan doen, en dan in een echte krant nog wel!


2 december 2016

Is vis eten wel gezond?


Nu de winterzonnewende nadert, en veel mensen tegen de feestelijkheden opzien, is misschien het moment gekomen om hen te waarschuwen voor het overmatig nuttigen van oesters en vis.
Robert Burton kende in de zeventiende eeuw het burn-outsyndroom nog niet (daarvoor was het wachten op Graham Greene, A Burnt-Out Case van 1960), maar wat hij beschrijft komt me dunkt op hetzelfde neer:

Rhasis and Magninus raden alle vis af, als ongezond voor ieder die naar melancholie neigt. Anderen maken een onderscheid en verwerpen van de zoetwatervissen enkel de paling, zeelt, lamprei en rivierkreeft (welke laatste Bright goedkeurt, cap. 6), en zulke vissen die in modderig en stilstaand water gekweekt worden en de smaak van modder hebben, zoals Franciscus Bonsuetus het poëtisch omschrijft, Lib. de aquatilibus:

“Nam pisces omnes, qui stagna, lacusque frequentant,
Semper plus succi deterioris habent.”
[Alle vissen immers die zich in poelen en meertjes ophouden, zullen altijd meer kwalijke sappen bevatten.]

Paulus Jovius, c. 34, de piscibus fluvial. slaat de lamprei hoog aan; en, zegt hij: “het zijn enkel inepti et scrupulosi [dwazen en angstvalligen] die er kwaad van spreken”; maar palingen, c. 33, “verafschuwt hij te allen tijde en overal; alle dokters versmaden ze, en vooral rond de tijd van de zonnewende.”

Terwijl anderen deze zozeer belasteren, hemelt Gomesius, lib. 1. c. 22, de sale, zeevis mateloos op, en, nog meer dan de rest, gedroogde, gepekelde, verharde vis, zoals leng, gerookte pelser, pekelharing, sprot, stokvis, ingezouten droge kabeljauw, gedroogde heek en alle schaaldieren. Tim. Bright maakt een uitzondering voor kreeft en krab. Mesarius beveelt zalm aan, daarin tegengesproken door Bruerinus, lib. 22, c. 17. Magninus verwerpt kongeraal, steur, tarbot, makreel, rog.


Karper is een vis waarvan ik niet weet wat ik ervan moet vinden. Franciscus Bonsuetus beschouwt hem als een moddervis. Hippolitus Salvianus, in zijn boek de Piscium natura et præparatione [over de soorten vis en hun bereiding], dat in Rome in folio werd gedrukt in 1554 en de prachtigste platen bevat, vindt het vlees van de karper enkel water en slijm. Paulus Jovius anderzijds, terwijl hij zeelt afkeurt, vindt hem goed; dat doet ook Dupravius in zijn Boeken over Visvijvers. Frietagius prijst hem hogelijk als een uitstekend en gezond voedsel, en plaatst hem onder de eersterangsvissen; en zo ook de meesten van onze landjonkers, die in hun vijvers bijna geen andere vis uitzetten.


Maar dit meningsverschil wordt naar mijn oordeel makkelijk beslecht door Bruerinus, l. 22, c. 13. Het verschil komt voort uit de ligging en de aard van de vijvers die soms modderig, soms helder kunnen zijn; ze smaken al naargelang de plek waar ze gevangen zijn. Op ongeveer dezelfde manier mogen we wellicht oordelen over andere zoetwatervissen. Voor meer hierover, zie Rondoletius, Bellonius, Oribasius, lib. 7, I. 22, Isaac, l. 1, speciaal ook Hippolitus Salvianus, instar omnium solus, &c. [als een van de velen].


Wat er ook van zij, ze mogen dan gezond en goedgekeurd zijn, groot gebruik ervan is niet goed; P. Forestus in zijn medische observaties deelt ons mee dat de kartuizerbroeders, wier voedsel grotendeels uit vis bestaat, meer dan andere orden aan zwaarmoedigheid lijden, en dat had hij opgemerkt in zijn praktijk – hij was een tijd hun arts in Delft, in Holland. Hij illustreert dit met het voorbeeld van ene Buscodnese, een rossige kartuizer die er goed voorkwam, en die vanwege het solitaire leven en het eten van vis erdoor aangetast werd.

Robert Burton (1577-1650)
The Anatomy of Melancholy,
First Partition, Section 2.
Causes of Melancholy with a Digression of Spirits.
New York Review Books, 2001, pp. 219-220.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html