2 december 2016

Is vis eten wel gezond?


Nu de winterzonnewende nadert, en veel mensen tegen de feestelijkheden opzien, is het misschien het moment om hen te waarschuwen voor het overmatig nuttigen van oesters en vis.
Robert Burton kende in de zeventiende eeuw het burnout-syndroom nog niet (daarvoor was het wachten op Graham Greene, A Burnt-Out Case van 1960), maar wat hij beschrijft komt me dunkt op hetzelfde neer:

Rhasis and Magninus raden alle vis af, als ongezond voor ieder die naar melancholie neigt. Anderen maken een onderscheid en verwerpen van de zoetwatervissen enkel de paling, zeelt, lamprei en rivierkreeft (welke laatste Bright goedkeurt, cap. 6), en zulke vissen die in modderig en stilstaand water gekweekt worden, en die de smaak van modder hebben zoals Franciscus Bonsuetus het poëtisch omschrijft, Lib. de aquatilibus:

“Nam pisces omnes, qui stagna, lacusque frequentant,
Semper plus succi deterioris habent.”
[Alle vissen immers die zich in poelen en meertjes ophouden,
Zullen altijd meer kwalijke sappen bevatten.]

Paulus Jovius, c. 34, de piscibus fluvial. slaat de lamprei hoog aan; en zegt hij: “het zijn enkel inepti et scrupulosi [dwaze en angstvallige lui] die er kwaad van spreken”; maar palingen, c. 33, “verafschuwt hij altijd en overal; alle dokters versmaden ze, en vooral rond de tijd van de zonnewende.”

Terwijl anderen hem zozeer belasteren, hemelt Gomesius, lib. 1. c. 22, de sale, zeevis mateloos op en, nog meer dan de rest, gedroogde, gepekelde, verharde vis, zoals leng, gerookte pelser, pekelharing, sprot, stokvis, ingezouten droge kabeljauw, gedroogde heek en alle schaaldieren. Tim. Bright maakt een uitzondering voor kreeft en krab. Mesarius beveelt zalm aan, daarin tegengesproken door Bruerinus, lib. 22, c. 17. Magninus verwerpt kongeraal, steur, tarbot, makreel, rog.


Karper is een vis waarvan ik niet weet wat ik ervan moet vinden. Franciscus Bonsuetus beschouwt hem als een moddervis. Hippolitus Salvianus, in zijn boek de Piscium natura et præparatione [over de soorten vis en hun bereiding], dat in Rome in folio werd gedrukt in 1554 en de prachtigste platen bevat, vindt het vlees van de karper enkel waterig en slijmerig. Paulus Jovius anderzijds, terwijl hij zeelt afkeurt, vindt hem goed; dat doet ook Dupravius in zijn Boeken over Visvijvers. Frietagius prijst hem hogelijk als een uitstekend en gezond voedsel, en plaatst hem onder de eersterangsvissen; en dat doen ook de meesten van onze landjonkers, die in hun vijvers bijna geen andere vis uitzetten.


Maar dit meningsverschil wordt naar mijn oordeel makkelijk beslecht door Bruerinus, l. 22, c. 13. Het verschil komt voort uit de ligging en de aard van de vijvers die soms modderig, soms helder kunnen zijn; ze smaken al naargelang de plek waar ze gevangen zijn. Op ongeveer dezelfde manier mogen we wellicht oordelen over andere zoetwatervissen. Voor meer hierover, zie Rondoletius, Bellonius, Oribasius, lib. 7, I. 22, Isaac, l. 1, speciaal ook Hippolitus Salvianus, instar omnium solus, &c. [als een van de velen].


Wat er ook van zij, ze mogen dan gezond en goedgekeurd zijn, groot gebruik ervan is niet goed; P. Forestus in zijn medische observaties deelt ons mee dat de kartuizerbroeders, wier voedsel grotendeels uit vis bestaat, meer dan andere orden aan zwaarmoedigheid lijden, en dat had hij opgemerkt in zijn praktijk – hij was ooit hun arts in Delft, in Holland. Hij illustreert dit met het voorbeeld van ene Buscodnese, een rossige kartuizer die er goed voorkwam, en die vanwege het solitaire leven en het eten van vis erdoor aangetast werd.

Robert Burton (1577-1650)
The Anatomy of Melancholy,
First Partition, Section 2.
Causes of Melancholy with a Digression of Spirits.
New York Review Books, 2001, pp. 219-220.

Trump en Charles&Diana



In het boekje dat Donald Trump geschreven heeft in 1987, The Art of the Deal, las ik ter ontspanning weer eens een paar bladzijden. Onderhoudend, dat wel, maar tenslotte zijn het verkooppraatjes en de eigenlijke tekst is van een zekere Tony Schwartz. Over de promotie van de Trump Tower, en de verkoop van appartementen vertelt hij ons het volgende, en ik vertaal het niet want die moeite is het niet waard:

(klik om te vergroten)

26 november 2016

Een seculier ritueel


Je vous parle d’un temps,
 que les moins de vingt ans ne peuvent pas connaître.

Vroeger, als er gegeten werd bij vrienden, lieten wij op de pick-up op de achtergrond vaak een LP met een speech van Fidel draaien, bij het aperitief. Een van die vrienden was namelijk bij het Cuba-comité, en had al die platen – uit de VS! Dat was smokkelwaar, en de etiketten vermeldden dat het om muziek ging: Hollywood Bowl Orchestra. Erg slimme truc.

Bij “la historia me absolverá” of “¡hasta la victoria siempre!”, wat nogal eens terugkwam in Fidel zijn speeches, lieten we de gastheer de naald dan even terugzetten, soms een paar keer, want dat waren zinnen die we verstonden.

Aan tafel zaten toen: een bioloog (‘uiterst rechts’ vonden wij hem, maar er was nog geen cordon uitgevonden), een andere bioloog zonder grote politieke overtuiging, een geoloog, ook apolitiek maar laten we zeggen centrum, ikzelf halfweg trotskist, halfweg anarchist en de gastheer (jurist) was een BSP-er. De vrouwen waren merkwaardig genoeg allemaal germanisten, op twee moralisten na.

Spaans kenden we dus niet, enkel de geoloog verstond het. Maar als iemand opperde dat Fidel stilaan eens mocht zwijgen, en dat het tijd werd voor Mozart, ontstond er vaak onenigheid en zelfs hoogoplopende twist, want er zaten een paar puristen bij die dan weer die of die uitvoering of zangeres streng afkeurden.

De speeches van Fidel, vaak onderbroken door minutenlang gejuich van de massa’s ook, waren een ritueel dat voor geen enkel ongenoegen zorgde, en zij verzachtten onze zeden.

22 november 2016

Taal is (bijna) alles


In de podcast van De Morgen hoorde ik Siegfried Bracke iets zeggen dat me zeer beviel. Het ging over de gebrekkige arbeidsparticipatie van allochtonen bij ons:

– Maar natuurlijk allez, ge weet toch wat het probleem is, hè? Het probleem is zelfs bij die hoger opgeleiden een taalprobleem! Dat is onnoemelijk groot hè! Een partij ...ge zijt toch nog altijd bij Groen, hè Jos? [Geysels]
– Ik zit hier als een individu natuurlijk hè!
– Ok, Groen is de promotor van de thuistaal. Waar ge dus het idee koestert dat je allochtone mensen beter Nederlands gaat leren spreken door het minder te gebruiken. Wat is me dát voor een redenering!



Nu is dat op zich geen bijzonder nieuw inzicht, taal staat vanzelfsprekend niet los van identiteit, ze is daar zelfs een bepalend deel van, naast religie, culturele traditie, ook erfelijkheid enzovoort. En behalve die erfelijkheid worden de andere zaken in taal uitgedrukt. Het is zelfs zo dat als je een taal goed leert, Engels, Frans, Duits, Latijn, Grieks of wat dan ook, dat je dan een beetje moet gaan denken als een Engelsman, Fransman of Duitser, of als een oude Romein of Athener. Of liever, je moét dat niet, je kunt eenvoudig niet anders, de taal zelf brengt je zover. Het gaat dan wel om een taal goed leren: zolang iemand enkel wat pidgin hanteert blijft zijn identiteit ongeveer wat ze was.

Maar die uitspraak beviel me zozeer, omdat ik Siegfried enkele jaren geleden iets hoorde verkondigen waar de haren mij toen bij te berge rezen:



Als de uitdrukking intussen niet zo journalistiek versleten was, zou ik zeggen dat we hier met voortschrijdend inzicht te maken hebben.

20 november 2016

Yann Moix, grof en intellectueel ridicuul


Voor wie mocht denken dat "le politiquement correct a changé de camp", een mening die je ook hier vaak leest en hoort,* is het misschien interessant het kruisverhoor te beluisteren dat Françoise Hardy onderging in de uitzending "On n'est pas couché" op France 2.
Scherprechter van dienst was hier Yann Moix, een onbeduidend auteurtje, een eeuwige belofte eigenlijk die zich een plekje op de televisie heeft weten te veroveren.


(Vertaling onderaan)

Yann Moix : Il y a une phrase, page 42, qui m’a interrogé. Vous dites : Dieu merci – c’est le cas de le dire** – il n’y a plus beaucoup de fanatiques dans les sociétés occidentales. Tout juste quelques catholiques intégristes, prêts à manifester contre le mariage homosexuel, mais pas à trucider ceux qui pensent autrement qu’eux.
Françoise Hardy : Oui.
Yann Moix : Bien, en ce moment vous pensez qu’il n’y a pas beaucoup de fanatiques dans les sociétés occidentales? Mais après, ...non mais je vous pose cette question…
Françoise Hardy : Il y en a moins que…
Yann Moix : …après le huit janvier, après le treize novembre, après le quatorze juillet. Je me demandais si cette phrase tombait à pic, en fait. Ou si vous étiez dans le coma à l’époque de ces trois attentats? [rires] Non, mais la question n’est pas méchante, c’est que cette phrase m’a fait sursauter…***
Françoise Hardy : euh-euh…
Yann Moix : …parce que le livre est bien, moi j’ai beaucoup aimé ce livre.
Françoise Hardy : Non, mais je, je voulais dire, bon, dans les pays occidentaux quand même la culture est judéo-chrétienne, elle n’est pas musulmane!
Yann Moix : Non mais je veux dire que c’est…
Françoise Hardy : Donc elle ne secrète plus… il y a eu beaucoup de terrorisme, de violences faits au nom de…
Yann Moix : Le vrai débat en somme c’est que peut-être la société occidentale qui a secrété ce terrorisme… religieux.***°
Françoise Hardy : Et bien non, …
Yann Moix : C’est peut-être une maladie des sociétés occidentales.
Françoise Hardy : Mais non, il sévit par tout le Moyen-Orient. Que je sache plus qu'ailleurs d’ ailleurs.
Yann Moix : Vous dites : il n’y a plus dans les sociétés occidentales – la France est une société occidentale, vous êtes d’accord?***°°
Françoise Hardy : Non mais…
Yann Moix : Mais s’il y a bien en ce moment un pays où il y a du fanatisme religieux, on va dire ça, vite fait, religieux parce que le débat est long.***°°°
Françoise Hardy : Mais moi je ne mets pas sur le même plan l’attitude des gens qui ont une culture judéo-chrétienne, et celle de certains musulmans! Pas tous, pas tous!
Yann Moix : La phrase est ambiguë.
Françoise Hardy : Mais non…
Yann Moix : Bon, la phrase est ambiguë.
Françoise Hardy : Mais non !
Yann Moix : Je trouve que la phrase est …
Françoise Hardy : Non !
Yann Moix : …est mal tournée parce que vous dites que… bon, bref, c'est rien. Je m'arrête.***°°°*
Françoise Hardy : Oui mais je pense aux pays européens, je pense…
Yann Moix : Alors ?
Françoise Hardy : Mais non, mais il y a du terrorisme mais qui vient d’ailleurs.
Yann Moix : Et bien, il vient de chez nous, oui? Des sociétés occidentales.***°°°**
Françoise Hardy : Oui, ça c’est vous qui le dites, je pense que…
Yann Moix : Et bien oui, en tant que Français, je m’étais…
Françoise Hardy : …ça ne vient pas tout à fait de chez nous.
Yann Moix : …aperçu qu’en France, sur le territoire français, par des Français, il y avait effectivement un fanatisme religieux. Et donc il n’avait pas tout à fait disparu puisqu’il fait, il a fait presque trois cents morts cette année en France, non ? Alors il y a des passages sur la…
Françoise Hardy : Oui, alors j’ai pas tout à fait la même vision que vous, mais c’est trop…
Yann Moix : C’est pas une vision, vous savez.***°°°***
Françoise Hardy : …chose délicate de parler de choses aussi graves de cette façon, hein !
Yann Moix : J’ai vécu les attentats comme tous les Français. Et je pense pas que le terrorisme, le fanatisme religieux ait disparu des sociétés occidentales, puisque c’est même là qu’il est apparu d’une certaine manière.
__________

* Ik denk hier bijvoorbeeld aan een zinnetje van Bart Eeckhout laatst: "Wie nu nog beweert dat het niet politiek correct is om de problemen met migratie en religieus fundamentalisme te benoemen, jaagt op spoken."
**  Françoise Hardy bracht net een boek uit waarin ze haar ziekte en relatieve genezing beschrijft: Un cadeau du ciel (Éditions des Équateurs).
*** Heel grappig en fijnzinnig, want Hardy werd inderdaad zeer lang in coma gebracht.
***° Voor zo'n Moix mag in geen geval het woord "muzelman" vallen als het over terrorisme gaat, vandaar die adempauze vóór "religieux", dat hij met tegenzin uitspreekt. Het is namelijk allemaal gewoon onze eigen schuld. En daarbij, Françoise Hardy "est plutôt de droite", en zo iemand moet je gedurig onderbreken en het spreken beletten.
***°° Hij voelt zich lekker, want het is ontegensprekelijk zo dat Frankrijk een Westers land is. Moix heeft trouwens ook wat filosofie gestudeerd, en dat komt hem hier van pas.
***°°° Geen tijd verliezen, religie heeft er niets mee te maken, maar leg dat eens uit aan zo'n wicht.
***°°°* Hij geeft het op, laat maar zitten: zoveel onbegrip, zelfs wanbegrip, daar kan ook een Moix niet tegenop.
***°°°** Natuurlijk, want die terroristen hadden meestal (ook) de Franse nationaliteit! Een weetje dat hij ons meegeeft.
***°°°*** Ook hier weer die filosofische vorming van hem. Een zinloze onderbreking weliswaar, maar hij zal ze in zijn grenzeloze superioriteit retorisch nuttig gevonden hebben.
____________

Op te merken valt nog dat dit gesprek 573 woorden telt, 
waarvan 376 van de narcist Moix afkomstig, 
zijnde bijna twee op de drie (65,5%).
____________

Yann Moix : Op pagina 42 staat er een zin waar ik me vragen bij stel. U zegt: In de Westerse maatschappijen zijn er godzijdank – dat woord is hier op zijn plaats – niet veel religieuze fanatici meer. Enkel nog een paar katholieke integristen die wel bereid zijn om te manifesteren tegen het homohuwelijk, maar niet om diegenen af te maken die er anders over denken dan zijzelf.
Françoise Hardy : Ja.
Yann Moix : Dus u denkt dat er niet veel fanatici zijn in de westerse maatschappijen? En dat na… kijk eens, ik stel u die vraag…
Françoise Hardy : Er zijn er minder dan…
Yann Moix : …na de achtste januari, na de dertiende. november, na de quatorze juillet. Ik vroeg me echt af of die zin wel te pas kwam. Of u was misschien in coma op het moment van die drie aanslagen? [gelach] Nee, die vraag is niet gemeen, het is dat die zin me deed opschrikken…
Françoise Hardy : Euh-euh…
Yann Moix : …want het boek is goed, ik hield er echt van.
Françoise Hardy : Nee, wat ik wilde zeggen, kijk in de westerse landen is de cultuur toch joods-christelijk, ze is niet mohammedaans!
Yann Moix : Inderdaad, maar wat ik wil zeggen is…
Françoise Hardy : Dus zij levert niet langer… er is veel terrorisme geweest, gewelddaden gepleegd in naam van…
Yann Moix : Het echte vraag is tenslotte of misschien niet de westerse maatschappij dat religieuze terrorisme heeft opgeleverd.
Françoise Hardy : Neen, zo is het niet…
Yann Moix : Het is misschien een ziekte van de westerse samenlevingen.
Françoise Hardy : Maar neen, het tiert in het hele Midden-Oosten. Ik meen overigens te weten meer daar dan elders.
Yann Moix : U zegt : er is in de westerse samenlevingen… Frankrijk is een westerse samenleving, daar bent u het toch mee eens?
Françoise Hardy : Ja maar…
Yann Moix : Maar als er nu op dit moment één land is met religieus fanatisme – laten we het om kort te gaan zo benoemen, want daar kun je lang over discussiëren.
Françoise Hardy : Maar ik plaats de opvattingen van mensen met een joods-christelijke cultuur niet op hetzelfde plan als die van bepaalde moslims! Niet allemaal, niet allemaal!
Yann Moix : De zin is ambigu.
Françoise Hardy : Maar neen…
Yann Moix : Bon, de zin is ambigu.
Françoise Hardy : Maar neen!
Yann Moix : Ik vind die zin…
Françoise Hardy : Neen!
Yann Moix : …slecht gevormd want u zegt… bon, bref, laat maar, ik stop ermee.
Françoise Hardy : Ja maar ik denk aan de Europese landen, ik denk…
Yann Moix : En wat dan?
Françoise Hardy : Maar er is toch terrorisme dat elders vandaan komt?
Yann Moix : Wel het komt van bij ons, niet? Uit de westerse samenlevingen.
Françoise Hardy : Ja, dat zegt u dan, maar ik denk…
Yann Moix : Wel inderdaad, als Fransman had ik gemerkt…
Françoise Hardy : …dat komt niet echt van bij ons.
Yann Moix : …gemerkt dat in Frankrijk, op Frans grondgebied, bij Fransen er daadwerkelijk een religieus fanatisme voorkomt. En dus was het niet compleet verdwenen want het heeft dit jaar in Frankrijk bijna driehonderd doden gemaakt, of niet? En dan zijn er passages over het…
Françoise Hardy : Ja, ik zal dan niet helemaal dezelfde visie hebben als u, maar het is …
Yann Moix : Een visie is dat niet, weet u.
Françoise Hardy : …onkies om over zulke zware zaken op zo’n manier te spreken, hè!
Yann Moix : Ik heb de aanslagen beleefd zoals elke Fransman. En ik denk niet dat het terrorisme, het religieuze fanatisme verdwenen is uit de westerse samenlevingen, want op een bepaalde manier is het precies daar dat het is opgedoken.


10 november 2016

Dawkins gooit het kind met het badwater weg


Het komt me voor dat Richard Dawkins, de evolutiebioloog die in 1976 wereldfaam verwierf met The Selfish Gene, daarnet op Twitter iets te ijverig de verdediging heeft opgenomen van de opiniepeilers. 
Dat deze moderne chiromanten er bij de voorspelling van de kiesuitslag in de Verenigde Staten stevig naast zaten, is volgens hem geheel te wijten aan de oneerlijkheid van de ondervraagden: “De mensen geneerden zich ervoor toe te geven dat ze Trump-aanhangers waren. Terecht overigens.”



Dawkins lijkt te vergeten dat de peilers ook bij de Brexit er stevig naast zaten. En er zijn zo veel voorbeelden te geven, uit alle landen.
Maar fundamenteler: als die oneerlijkheid de peilers inderdaad parten speelt, hoe denken ze die in het vervolg dan te omzeilen? Dawkins moet zich afvragen of het hier niet om een onvermijdelijke fout gaat, een systeemfout, een methode-fout? Want nu veroordeelt hij heel de sport van het opiniepeilen grondiger dan hijzelf misschien wil.

25 oktober 2016

Om het commentariaat uit zijn verwarring te helpen


Vandaag, als we de kranten mogen geloven, is afwijzing van de EU een rechts thema, maar in de vorige eeuw, in 1993 al gaf een linkse jongen, namelijk de hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer, Martin van Amerongen zijn oordeel over ‘Europa’.

– even terzijde: zoals men weet willen politici door gebruikmaking van die valse benaming beslag leggen op de grote erfenis van het historische Europa, en zo een soort legitimiteit afkopen voor hun eigen EU-constructie, ongeveer zoals anderen zonder, of met valse papieren Europa willen binnenkomen. Het spreekt dat ze met hun taalgebruik op slaafse navolging kunnen rekenen bij hun journalisten

Wat Van Amerongen in 1993 zei, was dit:*

“Echt, de enige enthousiastelingen voor Europa zijn de politici, met name diegenen onder hen die inmiddels op hun vaderlandse werkvertrek zijn uitgekeken. […] Heeft u trouwens ooit iemand (buiten het politieke circuit) ontmoet die zich bij het horen van het woord Europa vergenoegd in de handen wreef? Nee, zo iemand bestaat niet. Europa is een tijdverdrijf van beroepseuropeanen. De particulier die de twee-honderdvijftig pagina’s Maastrichts Euro-papiaments heeft gelezen is gek óf een Belg, om de woorden van de anti-Europeaan Hugo Brandt Corstius** te parafraseren.”

Volgens hem ging het bij die Europese constructie om een carte blanche die de burgers ter ondertekening voorgelegd kregen. Dat belette de Fransen noch de Nederlanders om tegen te stemmen, al hielden de eurocraten daarna geen rekening met hun mening, Giscard en Dehaene op kop. De Belgen hadden niets te stemmen want: “Als er een referendum komt, zal het debat over veel gaan, behalve over de grondwet zelf”, verklaarde di Rupo. En in de senaat wist Elio nog: “Een volksraadpleging kan het debat over Europa grondig verstoren. Het zal aanleiding geven tot xenofobe en zelfs racistische opmerkingen.” – hier zal hij vanzelfsprekend aan de Vlamingen gedacht hebben.
Elio was toen partijleider en de socialisten zaten in de regering, en ze waren honderd procent Belg en EU-gezind, carte blanche of niet.

Maar Van Amerongen had het in zoverre toch mis, dat vandaag blijkt dat je niet alle Belgen, en zelfs niet alle socialistische Belgen over één kam mag scheren. Magnette bijvoorbeeld al niet. Die wil graag een paar amendementen bij die CETA, die zijn Waalse gewest goed uitkomen.

Zijn houding zorgt bij de reguliere krantenjongens voor grote verwarring. Hun rustgevende denkschema’s liggen flink overhoop. Is Magnette nog een goede Belg, nu hij de federale regering zo in verlegenheid brengt? Of is hij een bekrompen regionalist, een nationalist zelfs? Je leest de meest bizarre interpretaties (over Vervoort zullen we het niet hebben, die stelt te weinig voor).
Waar het volgzame commentariaat het wel over eens lijkt te zijn, is dat iets dergelijks met Elio niet zou zijn voorgevallen. Dat Paul Magnette ten gronde gelijk heeft met zijn kritiek, geeft minder aanleiding tot commentaar. Liever heeft men het over “politieke spelletjes” zoals ze dan geheimzinnig schrijven.

Om onze editorialisten enige achtergrond te verschaffen bij hun twijfels over het goede-Belg-zijn van Magnette, en om in hun verwarde gedachten enige structuur aan te brengen is volgende opmerking van Rik Van Cauwelaert misschien nuttig:
“Meestal als hun partij in de oppositie zit, trekken de Waalse socialisten de regionalistische kaart […] Eenmaal in de nationale regering gaat de partij – en zeker na de scheiding van BSP en PSB in twee afzonderlijke partijen – telkens op een haast stalinistische wijze de unitaire toer op.”***
___________
* Een Helleveeg en andere kritische notities, Uitgeverij Jan Mets, 1993, p.124-5
** Hugo Brandt Corstius was een wiskundige, taalkundige, auteur en columnist. Hij schreef in verschillende bladen (Vrij Nederland, de Volkskrant, NRC Handelsblad) onder schuilnamen als Piet Grijs, Stoker of Battus. Hij werd zo gevreesd dat Karel van het Reve, als die zelf een stukje geschreven had, zich bang afvroeg “Wat zou HBC hiervan denken?”
*** Ils nous ont pris la Flandre, 2012, Pelckmans, p.9.

23 oktober 2016

Hoe een journalist inpakken?


Vaak hoor je over de een of andere brabbelende politicus zeggen: die kan wat mediatraining gebruiken. Maar net zo min als cursussen creatief schrijven (creative writing!) ooit een leesbare schrijver hebben opgeleverd, geloof ik dat mediacursussen een stuntel kunnen leren praten.
Ghèt et of ghèt et nie, om eens die voormalige kardinaal met zijn dikke kop te citeren  die alvast hier een waar woord sprak – en hijzelf “had het” overigens, vond hijzelf. 
Nu wil ik niet betwisten dat in sommige gevallen iemand er marginaal baat bij zou kunnen vinden om een schrijfcursus te volgen – toch als we de commentaar van Arjen Fortuin (NRC) bij Stefan Hertmans lezen* – maar praattraining leverde bij mijn weten nooit meer dan enkele benepen, schablonenhafte antwoordjes op.

Sommige politici hebben dan weer geen mediatraining nodig, en hebben die vermoedelijk ook nooit gekregen. Bij Pascal Vrebos op RTL kreeg Laurette Onkelinx een vraag over de besparingen van de regering, en Vrebos wees erop dat zijzelf destijds drieduizend mensen had laten afvloeien toen ze op Onderwijs zat.

Vooreerst prees Laurette de journalist voor zijn uitstekende geheugen, en zei hem dat ze geen keuze had toen. Daarna vroeg ze hem om haar in de ogen te kijken, en herhaalde dat ze geen keuze had gehad en wel door de schuld van de Vlamingen.
Zo moet je de zaken aanpakken, jongens en meisjes!



________

* [ik cursiveer] “Neem de zin ‘De befaamde Rocher du Cire – de steile, monumentale rots waar hoog en onbereikbaar de bijen zwermen en de steen in de zomerzon glimt van de honing die letterlijk van de rotswand druipt – staat er ongenaakbaar en desolaat bij, massief verzonken in de ochtendnevel.’ Behalve dat overbodige ‘letterlijk’ heeft de auteur hier zoveel adjectieven in zijn observatie gestopt dat het hem kennelijk niet is opgevallen dat hij die Rocher du Cire tegelijkertijd laat glimmen in een zomerzon én laat verzinken in een ochtendnevel. Zulk weer hebben wij thuis niet.
De zin staat op de eerste pagina van De bekeerlinge, de nieuwe roman van Stefan Hertmans, die ook in de volgende bladzijden opvalt door de hoeveelheid zintuiglijkheden die op de lezer neerdaalt.”

18 oktober 2016

Een amateur kan ook iets ontdekken


Op tien oktober hebben wij bij Klara de auteur Stefan Hertmans aan het woord gehoord. Heel leerzaam. In verband met de term ‘jihad’ bijvoorbeeld – een term die iedereen tegenwoordig wel eens in de mond neemt – had Stefan zaken ontdekt die de gezaghebbende Arabisten tot hiertoe moeten ontgaan zijn. Op vraag van Chantal Pattyn, die zei dat ze graag les geschiedenis kreeg, legde hij dat uit:

Het enige wat ik beweer, en wat ik ook te weten ben gekomen, is dat het gebruik van de term ‘jihad’ – wat eigenlijk ijver, toewijding, geloofsijver betekent – in de betekenis van ‘heilige oorlog’ pas is geïntroduceerd bij de belegering van Antiochië, die heel wreed is geweest, toen door de kruisvaarders. En het is toen Urbanus de Tweede in Clermont-Ferrand, in enfin, Clermont toen nog, heu, opriep tot een heilige oorlog […] dat iedereen is beginnen roepen Deus lo vult, God wil het, in het Zuid-Frans, in het Occitaans…



En de historicus Bernard Lewis mag dan wel geschreven hebben dat in de Koran jihad normaal verstaan wordt als ‘de oorlog verklaren’, en dat al van in de zevende-achtste eeuw jihad dus een militaire betekenis had, en verder mag Lewis nog zeggen dat “de overweldigende meerderheid van de klassieke theologen en juristen de verplichting tot jihad in zijn militaire betekenis verstaan” ...en ook mag hij daarin bijgetreden worden door de belangrijke hedendaagse theoloog-jurist [in de islam is dat niet te scheiden] Jāved Aḥmad G̲h̲āmidī, die net hetzelfde zegt: onze eigen Stefan Hertmans ziet dat anders.
En ook de zachtmoedige Averroës mag gezegd hebben dat «il s’agit d’une guerre concrète, nullement d’un ‘combat spirituel’» (ik citeer de Arabist Rémi Brague, La loi de Dieu, 2005, Gallimard, Folio Essais, p.290): onze eigen Stefaan Hertmans ziet dat anders.
Het is namelijk de schuld van de kruistochten en van Urbanus de Tweede dat het zover gekomen is.

We moeten aannemen dat Hertmans – onbewust mogen we hopen – zich zelfs distantieert van de voor alle moslims uiterst belangrijke en betrouwbare overlevering van imam Bukhari (810-870), met daarin de uitspraken en handelingen van hun profeet.
Volgens deze Mohammad ibn Ismail al-Bukhari moet de echte Mohammed gezegd hebben: “De beste jihad is die waarin je paard geveld wordt, en jouw bloed vergoten”.

Alles misschien toch nog eens nakijken Stefan, voor je weer over ijver en toewijding, of over Antiochië of over Urbanus begint, want de Duitsers laten zich niet vlug iets op de mouw spelden, en niemand wil jou in Frankfurt ergens tegen de lamp zien lopen, laat staan dat je weer een scheldbrief krijgt. We weten allemaal hoe gevoelig je daarvoor bent.

Een nog jonge mythe


De Franse Bask Arnaud Imatz is historicus en essayist. Enkele dagen geleden gaf hij een conferentie voor de Parijse Cercle Aristote, en zijn hoofdthema was de onbruikbaarheid van de begrippen 'links' en 'rechts'. In 1997 schreef hij een boek met als titel: Par-delà droite et gauche. Volgens Imatz is het verschil tussen links en rechts, vanuit historisch oogpunt minstens équivoque, onduidelijk, een term die hij van Aron leent. Ik vertaal het einde van zijn verhaal: 

Laat ik eindigen met de weerstanden tegen immigratie, aangezien dit een thema is dat ons bezighoudt. Ook hier moet u weten dat de traditie van republikeinse gastvrijheid en totale openheid een complete mythe is. Integendeel is nationale aanhorigheid lange tijd het voorkeursprincipe van iedereen, of van bijna iedereen geweest. Nationale aanhorigheid was zelfs een links principe in de jaren negentientwintig en -dertig, en later de algemene regel van iedereen, tot in de jaren tachtig en negentig. Ik praat wel eens met Spaanse vrienden die weet hebben van wat zich bij het einde van de Spaanse Burgeroorlog heeft afgespeeld. Wel, als zij in Frankrijk aankwamen, bestond die traditie nog niet. En wie was het ook alweer... Daladier stond aan het roer, en die traditie van openheid was er nog niet.
Zo werden tussen de twee oorlogen – om even concreet te worden – wetten aangenomen, een wet van 22 juli 1923, over het aanmoedigen van grote inlandse gezinnen; de wet van 11 augustus 1926 ter afscherming van de nationale arbeidsmarkt; de wet van 10 augustus 1932 ter bescherming van de werknemers.
In die periode van 1920 en ’30, eist de CGT* de meest strikte onbuigzaamheid ten aanzien van vreemdelingen, en werpt zich op als voorvechter van quota. In december 1936 laat de minister van binnenlandse zaken van het Front Populaire, Roger Salengro 10 decreten ter bescherming van de landgenoten-werknemers aannemen.** En nadat hij Léon Blum is opgevolgd doet de radicaal*** Daladier hetzelfde. In 1938 laat ook hij tientallen wetten en decreten aannemen die de inwijking en het verblijf van vreemdelingen op het nationale grondgebied op drastische manier regelen.
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog blijft de houding van de meerderheden ongewijzigd. De radicalen, de radicaal-socialisten, de socialisten en de christendemocraten gaan zo goed als allemaal akkoord om op de gevaren van immigratie te wijzen. Het is pas aan het eind van het tweede mandaat van Mitterrand en onder het presidentschap van Chirac dat de mythe van een republikeinse traditie van openheid en gastvrijheid is bedacht: een compleet verzinsel.


________
* Confédération Générale du Travail, socialistische vakbond.
** Dat moet postuum gebeurd zijn want hij stierf in november 1936 (zelfmoord na een lastercampagne uitgaand van de Action française).
*** Parti radical.

15 oktober 2016

Met sociologie kun je veel bewijzen


Bij TV-libertés ('Canal de Réinformation') kunt u kennismaken met alweer een Franse kandidaat-president. Maar deze weet op voorhand dat hij niet de nodige 500 handtekeningen van parlementsleden of burgemeesters zal kunnen verzamelen om echt op de stembiljetten te komen. Daar is hij veel te consequent voor. Het is de auteur Renaud Camus, in Vlaanderen zo goed als onbekend:

Martial Bild: U bent zoals we weten de heraut in de strijd tegen ‘le grand remplacement’ [de vervanging van een volk door een ander], maar telkens weer slaagt u er niet in om de beweringen van uw critici te laten voor wat ze zijn. Zij krijgen met andere woorden vrij spel om u telkens weer voor te houden dat de Zuiderse immigranten, waar u zo bang voor bent, tenslotte maar vijf procent van de bevolking uitmaken. En dat brengt een demograaf als Hervé Le Bras* ertoe om, als hij het over uw theorie heeft, deze met cijfers in de hand te omschrijven als  ‘een sinistere grap’. Slaagt u er toch in om weerwerk te bieden aan dat cijfermateriaal? Ik meen van niet, ik vind van niet.
Renaud Camus: Maar op dergelijke twisten ga ik helemaal niet in! Ik meen dat cijfers – en hier gaat het om een essentiële strijd – dat precies de cijfers ons nu al veertig of vijftig jaar, en in elk opzicht een volslagen leugen hebben voorgehouden. Herinner u de cijfers over het onderwijs, waarbij de sociologie erin slaagde te bewijzen dat het niveau daar steeg. Met als resultaat dat we ons nu in een totaal ruïnelandschap bevinden. Men slaagde erin met cijfers te bewijzen dat in ons land de delinquentie afnam. Met cijfers slaagde men erin te bewijzen dat er van langsom minder immigratie was. Op die manier zitten we nu in een land waarvan de bevolking zichtbaar anders is geworden. Dat verhaaltje over cijfers is totaal belachelijk. Werkelijk, ik meen dat precies de cijfers het instrument van de leugen zijn.
Maar daar werk ik helemaal niet mee, daar voel ik mij in het geheel niet toe geroepen. Waar het mij om gaat, is de waarneming, de kijk en het echte aanvoelen van de mensen. Met andere woorden hun pijn, hun leed helaas.
Te zien dat we ons land kwijtspelen is geen voorwerp van becijfering. Het is alsof men aan Jean Moulin** zou zeggen: u spreekt wel over een Duitse bezetting, maar kunt u departement per departement preciseren hoeveel Duitsers er in Frankrijk zijn? In die termen kun je de vraag absoluut niet stellen. Die vraag gaat over geschiedenis – en niet enkel over politiek – en het vraagstuk is in geen geval geëigend tot de sociologie. Ik meen dat de sociologie voor ‘le grand remplacement’, en voor het remplacisme*** in het algemeen, is geweest wat de biologie van Lysenko was voor het Stalinisme: het wezenlijke werktuig van de leugen. Uw Hervé Le Bras mag me dus met alle mogelijke namen bedenken, ik zal ze als een decoratie op mijn revers spelden.



__________
* Hervé Le Bras, Anatomie sociale de la France, Laffont, 2016, « Le Grand remplacement de la Race blanche ».
** Franse verzetsheld.
*** remplacisme is de bredere term, waarmee bedoeld wordt dat voor het mondiale kapitalisme individuen (in de eerste plaats arbeiders en bedienden) onderling inwisselbaar zijn. Ik weet niet of deze term van Camus nog bij "uiterst rechts" onder te brengen valt, de categorie waarin de media hem unaniem plaatsen.

13 oktober 2016

Overzicht van de Franse binnenlandse pers


Wat je vandaag bij ons in het nieuws en in de kranten vaak hoort of leest, zijn politici die zich verontschuldigen voor dingen die ze op hun kerfstok hebben, of voor dingen die ze op Twitter of elders verteld hebben, die ze verkeerd ingeschat hebben, of die slecht zijn overgekomen enzovoort. Soms, maar dat is uitzonderlijk, gaat  het ook over ernstige zaken, zoals misdaden tegen de mensheid of militaire ingrepen die verkeerd uitpakten. In elk geval maken politici dan ook goede voornemens, want zonder leidt berouw niet tot vergiffenis.
In andere landen gaat dat niet anders, het lijkt wel een mondiale plaag. Dat verontschuldigen is een stijlfiguur geworden, en als ergens één journalist een politicus ertoe kan bewegen, dan volgen al snel al zijn vakbroeders. Dat is met veel journalistieke dingen het geval, denken wij bijvoorbeeld aan het onnozele format van het fact checken, dat ze nu ook overal ter wereld hebben.
Maar goed, als dat in Frankrijk gebeurt is het toch wat vermakelijker en sierlijker dan elders, zeker als Natacha Polony op Europe1 het persoverzicht verzorgt:

Et oui, le confessionnal est par les temps qui courent le lieu le plus fréquenté de la République, s’amuse Jean-Louis Hervois dans la Charente Libre. Les journalistes y font office de curés – sauf à raconter les secrets sur tous les toits. François Hollande s’y révèle donc comme un pénitent ardent à dénoncer ses fautes. Toujours plein de bonnes résolutions, il résiste mal à la tentation ...du mensonge, cet accommodement avec les réalités qui offre la survie en politique.


Het is niet anders: in deze tijden is de biechtstoel de drukstbezochte plek in de Republiek, spot Jean-Louis Hervois in de Charente Libre. De journalisten spelen er voor pastoor – behalve dat ze de geheimen van alle daken schreeuwen. Gebrand om zijn fouten te bekennen, ontpopt François Hollande zich daar dus als boeteling. En al zit hij altijd vol goede voornemens, hij weerstaat moeilijk aan de verleiding van ...de leugen, dat akkoordje met de werkelijkheid dat in de politiek voor overleving zorgt.



PS: vandaag gaat Libération door over de desastreuze bavardages van de president, die in ademnood giftigheden over medestanders verspreidt. Hij heet daar: 'un esprit tranchant prisonnier d’un corps rond'. Ook noemde Hollande het justitieapparaat een «institution de lâcheté», woorden waar het Élysée geen commentaar bij geeft, maar ze evenmin ontkent.

6 oktober 2016

Schaken in Teheran


Men kan de vraag stellen of een apart wereldkampioenschap schaken voor vrouwen nodig is. Bij schaken komt het eropaan in een rustige zaal en gezeten op een goede stoel houtjes te verschuiven. Veel mannen doen dat graag, en vrouwen moeten daar evengoed toe in staat zijn. Een apart kampioenschap is dan ook bevreemdend en doet zelfs wat vernederend aan. Ook een titel als WGM (woman grandmaster) doet dat. Hij betekent tenslotte: niet echt grootmeester. De Hongaars-joodse Judit Polgar is wel gewoon grootmeester. Zij draait mee in de normale toernooien, en behoorde zelfs een tijdje tot de top tien op de wereldranglijst.

Weer een andere vraag is of je bij vrouwentoernooien de deelneemsters een bijkomende vernedering kunt aandoen, en hen verplichten een hoofddoek te dragen. Dat is wat er nu in Teheran gebeurt. Bij ons is zo’n hoofddoek altijd een vrijwillige keuze lees je in de krant, en juist een teken van zelfbewustzijn, van emancipatie, zelfs van integratie enzovoort, maar in Iran volstaan vrijwilligheid, zelfbewustzijn en emancipatie blijkbaar niet.
In de Süddeutsche Zeitung lezen we dat „die Einhaltung einer islamischen Kleiderordnung [wird] von der Justiz und der Religionspolizei weiterhin streng überwacht. Frauen ohne Kopftuch droht eine Geld- oder Haftstrafe. Allein 2014 wurden 3,6 Millionen Iranerinnen belangt, weil Haare und Nacken nicht ausreichend mit dem Hidschab bedeckt waren.“
[Aan het naleven van de islamitische kledijvoorschriften wordt door justitie en religieuze politie nog steeds streng de hand gehouden. Vrouwen zonder hoofddoek riskeren geld- of gevangenisstraffen. Enkel in 2014 werden 3,6 miljoen vrouwen voor de rechter gedaagd, omdat hun haar en nek niet afdoende bedekt was met de hidjab.]
Misschien ging de FIDE (Fédération Internationale des Échecs) ervan uit dat zo’n voorschrift maar om te lachen was, en ze wezen Teheran aan voor het toernooi. De voorzitter van de Wereldschaakbond, Kirsan Nikolajevitsj Iljoemzjinov, 54 jaar, is dan ook een merkwaardig figuur, steenrijk geworden op korte tijd, en een tijdje president geweest van de Russische autonome republiek Kalmukkië.
In zijn Moskouse appartement kreeg hij in september 1997 het bezoek van in het geel geklede buitenaardse wezens, die hem een tijdje ontvoerd hebben. Zij spraken een onbegrijpelijke taal en zo komt het dat Iljoemzjinov ons geen verdere inlichtingen kan geven over deze kwestie.
Blijft dat een aantal van de beste schaaksters het toernooi nu willen boycotten, enkel om dat “lapke stof” – om even Steve Stevaert aan te halen, nu we toch in buitenaardse sferen vertoeven.
Overigens mag er blijkbaar schaak worden gespeeld in Iran, al zegt de grootayatollah Al-Sayyid Ali al-Husseini al-Sistani dat het spel haram is, maar voor die wijsheden moet u hier klikken.

3 oktober 2016

Haring en Bokking


Vandaag eten wij niet zo vaak meer bokking als in de tijd van Luther. Laatst las ik de Tischreden van hem, uit een klein, handzaam boekje  ook zonder je voeten te bevochtigen bestaan er methoden om aan een zonovergoten strand de tijd door te brengen.
Doctor Martinus nu, trok ergens in zijn tafelredevoeringen een vergelijking tussen soldaten en gerookte haringen.
‘Landsknechten zijn onder de andere mensen als bokkingen tussen de haringen. Een bedorven haring levert altijd nog een bokking op. En wat verder nergens goed voor is, levert altijd nog een krijgsman.’

Soms zegt Luther ook het tegenovergestelde in zijn tafelgesprekken – die met wijn overgoten waren: dat was een gezegende, Schriftuurlijke drank ; weliswaar versmaadde Luther ook het bier niet, maar dat bleef een uitvinding van de mensen – en weet hij soldaten naar waarde te schatten, maar dat zou ons te ver voeren nu.

Wat een bokking juist is, zullen veel mensen niet meer weten, en daarom geef ik de definitie van de Duden: Bück|ling,  der; -s, -e [aus dem Niederd. < mniederd. bückinc, zu: bok = Bock (nach dem strengen Geruch)]: geräucherter Hering.

Die straffe reuk van de bok dus, en de verwijzing naar het Middelnederlands, maar het blijft een magere uitleg. Voor meer betrouwbare etymologische details kunnen we gelukkig bij Heinrich Heine terecht, die in zijn Harzreise zelf een bokking eet, en ons bij die gelegenheid meer duidelijkheid brengt:

In der »Krone« zu Klaustal hielt ich Mittag. Ich bekam frühlingsgrüne Petersiliensuppe, veilchenblauen Kohl, einen Kalbsbraten, groß wie der Chimborazo in Miniatur, sowie auch eine Art geräucherter Heringe, die Bückinge heißen, nach dem Namen ihres Erfinders, Wilhelm Bücking, der 1447 gestorben und um jener Erfindung willen von Karl V. so verehrt wurde, daß derselbe Anno 1556 von Middelburg nach Bievlied in Seeland reiste, bloß um dort das Grab dieses großen Mannes zu sehen. Wie herrlich schmeckt doch solch ein Gericht, wenn man die historischen Notizen dazu weiß und es selbst verzehrt!

Ik geef hiernaast (uit Heine en Holland, Ambo 1997) de vertaling van de grote Martin van Amerongen, die eerst nog enige filosofische toelichting geeft:

Die Chimborazo daargelaten, die kort daarvoor door Alexander von Humboldt bedwongen was (zie Die Vermessung der Welt, de werkelijk prachtige roman van Daniel Kehlmann), maar vanzelfsprekend doet het mij als Gentenaar ook plezier dat de verder zeer discutabele Keizer Karel deze bedevaart heeft ondernomen.


1 oktober 2016

Wat dacht men vierhonderd jaar geleden zoal?


Als iemand je vertelt dat hij The Anatomy of Melancholy van Robert Burton (°Leicestershire 1576 -✝Oxford 1640 – maar je ziet ook andere data) heeft gelezen, dan ben je niet verplicht hem te geloven. Niet dat zo iemand dan meteen een leugenaar is, maar hij bedoelt wellicht dat hij, zoals iedereen die bij zijn verstand wil blijven, stukjes eruit heeft gelezen, hier en daar en met tussenpozen een aantal bladzijden.*

Zelfs voor Dr. Johnson viel de lectuur soms wat zwaar (het zijn drie dichtbedrukte delen, samen 1412 bladzijden, doorspekt met Latijn en Grieks), al lezen we bij diens biograaf Boswell: ‘Burton's Anatomy of Melancholy, he said, was the only book that ever took him out of bed two hours sooner than he wished to rise.’**
[Burtons Anatomy of Melancholy, zei hij, was het enige boek dat hem ooit het bed had uitgejaagd, twee uur vroeger dan hij had willen opstaan]

Maar tegelijk vond de Doctor een paar honderd bladzijden verder toch ook: ‘Let him take a course of chymistry, or a course of rope-dancing, or a course of any thing to which he is inclined at the time. Let him contrive to have as many retreats for his mind as he can, as many things to which it can fly from itself. Burton’s Anatomy of Melancholy is a valuable work. It is, perhaps, overloaded with quotation. But there is a great spirit and great power in what Burton says, when he writes from his own mind.’
[Laat hem een cursus chemie volgen, of een cursus koorddansen, of om het even welke cursus waar hij op dat moment zijn zinnen op heeft gezet. Laat hem zoveel uitwegen uitbroeden voor zijn geest als hij maar kan, zoveel mogelijk plekken waar die zichzelf kan ontvluchten. Burtons Anatomy of Melancholy is een waardevol werk. Mogelijk is het wat overladen met citaten. Maar er zit een grote vitaliteit en een grote kracht in wat Burton zegt, als hij schrijft wat uit zijn eigen brein komt.]

En inderdaad, als Burton zelf spreekt en geen Grieken of Romeinen citeert, is hij bijzonder lucide, en vaak zelfs grappig.
Bij hem was er bijvoorbeeld nog geen spoor van de latere gedachte – vandaag heel gewoon bij mensen die geen geschiedenis meer kennen van voor hun eigen geboortedatum – dat terreur en moord niets met religie te maken hebben. Eerst wijst hij erop dat godsdienststichters altijd beginnen bij poor, stupid, illiterate persons, want ignorance is the mother of devotion:

‘So Mahomet did when he published his Alcoran, which is a piece of work (saith Bredenbachius)*** ‘full of nonsense, barbarism, confusion, without rhyme, reason, or any good composition, first published to a company of rude rustics, hog-rubbers,**** that had no discretion, judgment, art, or understanding, and is so still maintained.’ For it is a part of their policy to let no man comment, dare to dispute or call in question to this day any part of it, be it never so absurd, incredible, ridiculous, fabulous as it is, must be believed implicite,***** upon pain of death no man must dare to contradict it, ‘God and the emperor,’ &c.’ (deel III, hoofdstuk Religious Melancholy, p. 339)
[Net zo deed Mohammed het toen hij zijn koran afkondigde, wat een werk is (zegt Bredenbachius) ‘vol nonsens, barbaarsheid en wanorde, zonder samenhang of verstand of enige goede opbouw, en eerst verkondigd aan een gezelschap van ongelikte beren, boerenkinkels die geen onderscheid weten te maken, zonder oordeelsvermogen, vaardigheid of begrip, en dat is altijd zo gebleven.’ Want het maakt tot op de dag van vandaag deel uit van hun principe, dat geen mens bemerkingen worden toegestaan, of dat hij iets ervan mag betwisten of in twijfel trekken en – al mag het nog zo absurd, onaannemelijk, ridicuul, en verzonnen zijn – elk woord ervan moet in blind vertrouwen geloofd worden, en op straffe des doods moet niemand het wagen om het tegen te spreken, ‘God en de keizer, ‘ &c.’]

‘The Turks at this day count no better of us than of dogs, so they commonly call us giaours,****** infidels, miscreants, make that their main quarrel and cause of Christian persecution. If he will turn Turk, he shall be entertained as a brother, and had in good esteem, a Mussulman or a believer, which is a greater tie to them than any affinity or consanguinity.’ (p. 349)
[Niet hoger dan honden slaan de Turken (toen een term die op alle mohammedanen sloeg, mv) ons vandaag aan, en ze noemen ons dus giaours, ongelovigen, ketters, en voor hen is dat het belangrijkste twistpunt en de oorzaak van de christenvervolging. Wil iemand moslim worden, dan zal hij als een broeder behandeld worden, en als muzelman of gelovige in aanzien staan, en dat is voor hen een sterkere band dan welke affiniteit of bloedverwantschap ook.]

____________

* Robert Burton, The Anatomy of Melancholy, edited and with an introduction by Holbrook Jackson, and with a new introduction by William H. Glass, New York Review Book, 2001.
** Boswell (1740-1795), net zo goed als zijn onderwerp, is een man die het zonder voornaam kan stellen, al heette hij James: The Life of Dr.Johnson, Everyman’s Library, new edition, 1960, vol. I. p. 389).
*** Bredenbach, Tilmann, Duitse historicus en theoloog (1490-1559, geboortejaar is onzeker).
**** ‘A sneaking wretch’ (een gluiperige ellendeling) lees ik in een glossarium op het web, want ook mijn tweedelige Shorter Oxford English Dictionary liet mij hier in de steek. ‘A yokel, a country bumpkin’ vind ik ook: een boerenkinkel. Het woord is obsoleet, en men verwijst telkens enkel naar de Melancholy.
***** In a complicated or confused manner (Oxford Latin Dictionary).
****** De Encyclopædia Britannica gaf in 1911 volgende definitie (mijn cursivering): Giaour (a Turkish adaptation of the Persian gdwr or gbr, an infidel), a word used by the Turks to describe all who are not Muslims, with especial reference to Christians. The word, first employed as a term of contempt and reproach, has become so general that in most cases no insult is intended in its use; similarly, in parts of China, the term foreign devil has become void of offence. A strict analogy to giaour is found in the Arabic kafir, or unbeliever, which is so commonly in use as to have become the proper name of peoples and countries.

9 september 2016

Spreekwoorden bevatten altijd een waarheid


Ἀπελλῆς, Appelles van Kos, was de grootste schilder van de oudheid. Hij stond erom bekend dat hij zo natuurgetrouw werkte dat de vogels aan zijn geschilderde bessentrossen kwamen pikken. Alexander de Grote liet zich uitsluitend door hem portretteren. Ook diens mooiste maîtresse mocht Appelles schilderen, en zoals dat kan gebeuren: hij werd verliefd op zijn onderwerp. Alexander nu toonde zich niet kinderachtig, en uit dankbaarheid voor alle mooie portretten schonk hij hem deze maîtresse.

Goed, maar op een dag werd Appelles toch terechtgewezen door een schoenmaker, die hem opmerkte dat er iets mis was met een sandaal op een van zijn schilderijen, er ontbrak een vetergaatje. Appelles corrigeerde dat meteen, maar nu werd de schoenmaker wat overmoedig, en begon ook opmerkingen te maken over andere details. Daar kreeg onze schilder het van op de heupen en – de Griekse woorden hebben we niet meer, maar volgens Plinius de Oudere heeft hij toen gezegd “ne supra crepidam sutor iudicaret” – een schoenmaker kan beter enkel over sandalen oordelen – en Plinius voegde nog toe dat deze vermaning spreekwoordelijk was geworden: quod et ipsum in proverbium. Inderdaad zeggen wij nu nog “schoenmaker blijf bij uw leest”.

Ik moest hieraan denken toen ik vanmorgen een artikeltje zag in Knack, dat over een schoenmaker ging die ook over veel dingen spreekt, Wouter Torfs namelijk.
Dat artikeltje was niet ondertekend, en terecht want het was zó beschamend, stuitend slecht geschreven, en daarbij zo serviel dat Torfs aan deze onbekende misschien geen maîtresse, maar toch een paar sandalen cadeau mag doen.

8 september 2016

De vreedzame samenleving destijds in Andalusië


De mythe van het mohammedaanse Spanje
1 september 2012
Een onderhoud met Serafín Fanjul

Met behulp van voortdurend herhaalde historische leugens dringt de politieke correctheid zich op. Een daarvan is de mythe van al-Andalus:[1] die van een vredevol, open en verdraagzaam moslimrijk. Het is een mooie ideologische constructie zonder veel verband met de werkelijkheid. Hieronder maken de hispanoloog Arnaud Imatz en de grote Spaanse Arabist Serafín Fanjul samen de balans op. Volgens deze laatste spreken de middeleeuwse teksten de hedendaagse lezing compleet tegen.

Serafín Fanjul werd in 1945 in Galicië geboren en is een van de meest prestigieuze Spaanse Arabisten. Deze gewezen directeur van het Spaanse Cultureel Centrum in Cairo, professor Arabische literatuur aan de Universidad Autónoma de Madrid, lid van de Koninklijke Academie voor Geschiedenis sinds 2011,[2] heeft zijn leven besteed aan de studie van de islam als religieus, sociologisch, economisch en politiek fenomeen. Hij schreef erudiete studies zoals Las canciones populares árabes en La literatura popular árabe, en vertaalde
Ibn Battuta en Al-Hamadani. Vooral bekend is hij voor de publicatie bij Siglo XXI – de uitgever die in een recent verleden nog emblematisch was voor de socialistische en marxistische denkwereld – van twee essentiële werken: al-Andalus contra España. La forja de un mito (Andalusië tegen Spanje. Het smeden van een mythe) en La químera de al-Andalus (Het drogbeeld van Andalusië). Deze twee boeken, die helaas nog niet in het Frans zijn vertaald, slaan het mythische beeld aan diggelen van een verfijnde, vreedzame en gecultiveerde Andalusische samenleving die door christelijke barbaren onderworpen werd, en tegelijk ook de niet minder denkbeeldige hersenschim van een Spaanse moslimwereld waarvan de invloed zich in het Spanje van de eenentwintigste eeuw nog zou laten gevoelen.
Om het werk af te maken heeft Serafín Fanjul onlangs een studie gepubliceerd over de fundamentele rol die de Europeanen hebben gespeeld bij de creatie van het mythische en stereotiepe beeld van een primitief, exotisch en mysterieus Spanje. Het heeft als titel Buscando a Carmen (Op zoek naar Carmen, Siglo XXI, 2012), een verrassende toespeling op de beroemde neoromantische heldin van Mérimée en Bizet.

Arnaud Imatz : U hebt boeken en vele artikels geschreven om de mythe te hekelen van Andalusië als ‘meest geavanceerde beschaving van de late middeleeuwen’, symbool staand voor het vreedzame en tolerante samengaan van de drie culturen, de islamitische, joodse en christelijke. Verliep het samenleven sereen en harmonieus tot aan de uitdrijving van de morisken,[3] of was het integendeel door confrontatie gekenmerkt? Moeten we spreken van een symbiose of van een antibiose?
Serafín Fanjul : Een historisch proces dat bijna acht eeuwen heeft beslagen kan men niet als een homogeen geheel bekijken. De maatschappij van al-Andalus in de achtste eeuw is niet die van de tiende eeuw, een tijd waarin de moslims in de meerderheid waren, de Arabische culturele hegemonie een feit was en het christendom sterk achteruitging. Het koninkrijk Granada dat twee en een halve eeuw heeft geduurd (1238-1492), was al evenmin identiek aan het Andalusië van de periode daarvoor. Het ging om een monoculturele samenleving, met één taal en één religie. Een verschrikkelijk intolerante samenleving, uit overlevingsinstinct, want tot aan de zee teruggedreven.
Symbiose en antibiose zijn twee begrippen die onder een idealistisch begrip van de geschiedenis vallen. De promotoren ervan (de filoloog Américo Castro en de mediëvist Claudio Sanchez Albornoz) zijn in wezen neoromantici.

AI : Op welke manier regeerden de moslims over het deel van Spanje dat in hun macht was?
SF : Er was geen permanente confrontatie, maar evenmin ongelimiteerde harmonie en tolerantie: alles hing af van concrete omstandigheden en vooral van het minder of meer overwegend aandeel moslims. Hoe hoger het percentage van deze laatsten, hoe minder tolerant de maatschappij was. De onderworpen gemeenschappen zagen als groep sommige rechten (natuurlijk niet alle) erkend. Een erkenning van groepsrechten, geen individuele rechten, want die zijn nooit op voet van gelijkheid met de moslims gekomen.

AI : Mochten joden en christenen vrijelijk hun cultus onderhouden?
SF : Zij beoefenden hun godsdienst binnen bepaalde restricties en in de grootst mogelijke discretie. Halfweg de negende eeuw was er een christenvervolging in Cordoba, met vele martelaars. De grote anti-joodse pogrom van Granada kwam er in 1066. Maar de situatie werd erger vanaf de twaalfde eeuw, onder de Almohaden.

AI : Had de Arabisch-mohammedaanse samenleving van het schiereiland ‘zich ontdaan van raciale vooroordelen’, zoals de Engelse historicus Arnold Toynbee nog schreef?
SF : Dat is ofwel een uitvindsel van Toynbee ofwel een foute interpretatie bij gebrek aan gegevens. Bernard Lewis en voor hem al Ignaz Goldziher, een van de vaders van het wetenschappelijke oriëntalisme, hebben met talrijke Arabische teksten uit die tijd aangetoond dat etnische criteria courant gebruikt werden; Arabieren van het noorden tegen die van het zuiden, Berbers tegen Arabieren, Arabieren tegen Slaven en tegen moslims van Spaanse origine (zij waren het talrijkst), en vanzelfsprekend allemaal samen tegen de zwarten …en omgekeerd.

AL : Veel Fransen verwarren al-Andalus met Andalusië; kunt u ons uitleggen waarin de twee begrippen verschillen, en zelfs elkaars tegengestelden zijn?
SF : Die verwarring is het werk van Franse reizigers en schrijvers van de negentiende eeuw, en ze is vervolgens herhaald door historici en op den duur namen arabisten en Spaanse historici ze voor hun rekening, in hun ijver om al-Andalus en het hedendaagse Spanje met meer gemak dicht bij elkaar te brengen. De dubbelzinnigheid berust natuurlijk op de fonetische gelijkenis, maar het Spaans maakt een onderscheid tussen ‘andalusi’ (wat afkomstig is uit, of eigen aan al-Andalus) en ‘andaluz’ (wat betrekking heeft op Andalusië als Spaanse regio).
In het Frans lost u de vraag op door enkel ‘andalous’ te gebruiken voor de twee concepten. In het Arabisch duidt 'al-Andalus' heel islamitisch Hispania aan (dus tot aan de Duero-rivier, de noordergrens in de tiende eeuw, ofwel enkel het koninkrijk Granada in de veertiende eeuw). De term Andalucia (Andalusië) wordt in het Spaans enkel gebruikt vanaf de dertiende eeuw. Dat als gevolg van de Castiliaanse verovering van de vallei van de Guadalquivir. Nadien en nog tot in 1833 (datum van de huidige verdeling in provincies), was Andalusië enkel nog het westelijk deel. Het oostelijke Andalusië, het koninkrijk Granada (Granada, Malaga en Almeria) vormde een politiek en administratief afzonderlijke eenheid, zoals de documenten van toen aantonen. Overigens staat in de provincie Almeria het ‘Andalusisch bewustzijn’ erg zwak, ook vandaag nog.

AI : In 1969 heeft Ignacio Olagüe, een paleontoloog die in zijn jeugd nog militant was geweest van de JONS (Juntas de Ofensiva Nacional-Sindicalista), in Frankrijk een boek gepubliceerd met de suggestieve titel: De Arabieren zijn Spanje nooit binnengevallen.[4] Hij hield vol dat de Spaans-Romeinse bevolking de Visigotische bewindvoerders verafschuwde, en de moslimaanwezigheid verkoos, en zelfs wenste. De verovering van 711 was volgens hem enkel een uitvindsel achteraf om de Reconquista te verrechtvaardigen. Zijn stelling, die in haar tijd zwaar bekritiseerd werd door de mediëvist Pierre Guichard, heeft nieuwe weerklank gevonden bij de moslims vandaag, en vooral bij de Spanjaarden die zich tot de islam bekeerd hebben. Hoe oordeelt u daarover?
SF : Voor Olagüe ging het om een proces van ‘osmose’ (dat hij zich inbeeldde maar niet bewees), een volkomen vrije adhesie van Hispania aan de islam, terwijl nog nooit één land zich op zo’n poëtische manier achter de islam heeft geschaard. Het is een absurde aanspraak die dichter bij de literaire fictie dan bij de geschiedenis staat. Hij trekt een enorme conclusie op basis van enkele echte feiten zoals de godsdienstige roerselen, de verdeeldheid in de Visigotische tijd, of nog het ontbreken van Arabische documenten uit de tijd van de verovering. De eerste Arabische kroniek die over het evenement handelt, is die van Ibn’Abd al-Hakam, en zij stamt inderdaad van anderhalve eeuw later. Maar nu heb ik net een boek gepubliceerd over de mozarabische[5] Kroniek van 754, en zowel in deze als in de kroniek van 741 (beide in het Latijn geschreven door christenen die in het islamkoninkrijk leefden) wordt er nauwkeurig verslag gedaan van de islamitische verovering en de allesbehalve vreedzame effecten daarvan.

AI : Een halve eeuw terug heeft Fernand Braudel uitgelegd dat Spanje in 1609 de morisken had verdreven, de laatste vertegenwoordigers van de moslimbevolking in Spanje, omdat het hier ging om een minderheid die niet te assimileren viel, die zich tegen elke vorm van integratie verzette, en waarvan de banden met de toenmalige vijanden bekend en bewezen waren. Meer recent heeft de historicus Philippe Conrad dat nog aangetoond in zijn Histoire de la Reconquista (1999). Deelt u die zienswijze?
SF : Absoluut! Braudel heeft dat met grote scherpzinnigheid opgemerkt: de verdrijving kwam er omdat assimilatie van de morisken een onmogelijkheid was. Hun verstandhouding met de Turkse en Berberse piraten is meer dan bewezen. Van hun kant bekeken was die trouwens normaal en logisch. Maar ze spanden ook samen met Engeland en het Frankrijk van Hendrik IV, dat toen een vijand van Spanje was. De morisken die zich in de Béarn hadden gevestigd onderhielden contacten met de hugenoten. Na zijn bekering tot het katholicisme, vroegen in 1602 de morisken Hendrik IV om hulp, en in ruil boden zij aan om in Spanje op te treden als een ‘vijfde kolonne’.[6] Meerdere Franse agenten drongen door tot in Valencia. Onder hen was Jean sieur de Panissault,[7] vermomd als koopman. Later, op 23 april 1605, werd Paschal de Saint Estève[8] gevangen genomen, en hij onthulde in detail de intriges die op touw werden gezet. Louis Cardaillac, de grote Franse specialist van de morisken, heeft duidelijk aangetoond dat de vrees van de Spanjaarden gegrond was.

AI : Een van de gemeenplaatsen van de moderne geschiedschrijving is dat het verval van Spanje te wijten was aan de uitdrijving van de joden en morisken. U integendeel schrijft dat de politiek-religieuze eenmaking heeft voorkomen dat het land wegzonk in gruwelijke interne conflicten zoals andere landen die kenden. Als agnost en voorstander van de lekenstaat, onderstreept u, en ik citeer u nu, dat Spanje ‘Europees territorium is… met ontelbare wortels in de Neolatijnse wereld, en gekenmerkt door een eeuwenoude predominantie van het christendom’. Is volgens u een relatief homogene cultuur een noodzakelijke voorwaarde voor een vreedzame samenleving?
SF : De uitdrijving van de joden had plaats in augustus 1492, en op elk gebied kwam de Spaanse ‘grote sprong voorwaarts’ pas daarna. Denken we aan de ontdekking van Amerika, de felle doorstoot in Italië, of nog aan de politieke en militaire hegemonie in Europa die anderhalve eeuw duurde, en aan de literaire Gouden Eeuw.
De morisken hadden in twee streken een bepaald economisch belang: Valencia en Aragon, vooral dan op het gebied van de tuinbouw – zie de werken van Henri Lapeyre of Julio Caro Baroja. Veeleer is het verval begonnen bij de ontvolking, door het lichten van troepen, en door emigratie en epidemieën, verhoging van de belastingen en de enorme militaire uitgaven in Europa. Multiculturalisme is een mooie utopie zonder enig verband met de realiteit: grotere gemeenschappen zullen altijd de neiging hebben om de kleinere te absorberen, en de weerstand van deze laatsten zorgt voor wrijvingen. De recente voorbeelden van Joegoslavië of Libanon zijn duidelijk genoeg, en de vlucht van één miljoen – van de anderhalf miljoen – christenen uit Irak na 2003 is dat niet minder. De religieuze leiders van al-Andalus hebben altijd de totale islamisering nagestreefd, en er waren massale uittochten van christenen naar het noorden, tot in de twaalfde eeuw, zoals die er daarna waren van de morisken naar Noord-Afrika.

AI : Is het waar dat ook koning Alfons X,[9] – die door de moderne progressisten gecanoniseerd is, want zij zien in hem het archetype van de verdraagzaamheid en de kampioen van het vreedzame samengaan van de drie culturen – de houding van de joden en mohammedanen van zijn tijd veroordeeld heeft?
SF : Het grote wetgevend compendium van Alfons X, Las Siete Partidas,[10] is veelzeggend wat betreft de toestand van onderwerping en ‘horigheid’ die de hunne was. Zij waren eigendom van de koning, en als dusdanig moest men hen respecteren. Dit wetgevend corpus geeft het soort restricties en straffen aan, waaraan zij onderhevig waren.

AI : Sinds enkele jaren is er een zekere belangstelling gekomen voor het thema van de aanwezigheid van gevluchte morisken in Amerika. Hebben zij een beduidende rol gespeeld bij het avontuur en de verovering van de Nieuwe Wereld?
SF : Neen! Hen was het verboden te emigreren naar die gebieden. Sommigen slaagden er toch in, maar hun aanwezigheid betekent maatschappelijk niet zoveel, aangezien het om extreem kleine aantallen gaat, verspreid dan nog, en ze hun gedrag verheimelijkten. Anderzijds was het veel logischer om naar Noord-Afrika te vluchten om zich van de Spaans-katholieke verdrukking te ontdoen. Dat deden ze dan ook, eerder dan zich aan een lange en gevaarlijke reis te wagen, en vervolgens toch onder Spaans gezag te blijven. Hieromtrent heb ik in de archieven van Spanje en Amerika die ik heb geraadpleegd tijdens mijn opzoekwerk, nooit ook maar enkele betekenisvolle gegevens gevonden.

AI : Men hoort wel zeggen dat de Spanjaarden erfgenamen zijn van de Arabisch-islamitische cultuur, die meer dan zeven eeuwen in Spanje aanwezig was. Sommigen gaan zelfs zover te beweren dat de Spanjaarden halve Arabieren zijn. Wat antwoordt u daarop?
SF : Dat is een literaire fantasie van de reizigers van de negentiende eeuw, die naderhand werd opgepikt door het politieke ‘Andalusisme’ dat eropuit was een exotische herkomst te vinden, verschillend van die van alle andere Spanjaarden. Zonder een op zich staande eigen taal, en zonder nationalistische lokale bourgeoisie, moesten zij wel ver in de geschiedenis teruggaan om de stichtingsmythen van de ‘Andalusische Natie’ hecht te maken. Dat is niet het geval in andere streken van Spanje.

AI : Dat er in het Spaans een woordenschat met Arabische wortels voorkomt, is dat geen zwaarwichtig argument voor de thesis van de Arabisch-islamitische erfenis? Wat is er ingebeeld en wat is er echt aan deze linguïstische invloed?
SF : In de fonetiek, de prosodie, de morfosyntaxis van het Spaans zit niets Arabisch. Niets! In de levende woordenschat resteren er nog 450 woorden die echt gebruikt worden, al zijn er ongeveer 950 etymonen, stamwoorden die met hun afgeleiden samen een totaal van 3000 woorden vormen, waar nog ongeveer 2000 plaatsnamen aan toegevoegd moeten worden. Dat is naar verhouding heel weinig, zeker in aanmerking genomen dat het gaat over een vocabularium dat verwijst naar middeleeuwse technieken – landbouw, wapens, bouwwerken – die intussen vervangen werden of flink op hun terugweg zijn. Ook bestaat er geen woordenschat van Arabische oorsprong met een spirituele of abstracte betekenis, wat zeer veelzeggend is. Maar de woordenschat is het meest vlottende en minst bepalende deel in het karakter van een taal.

AI : Op de terreinen van voeding, kledij, volksfeesten, muziek – meer bepaald de cante jondo flamenco – en topografie, toont u met een verpletterende eruditie aan dat een Arabisch-islamitische oorsprong marginaal is, en Latijns-Germaanse en christelijke verwantschappen absoluut de overhand hebben. Hoe bekijkt u de overvloed aan historische romans, met intriges die in het middeleeuwse Iberische schiereiland spelen, en die bulken van de historische fouten en de hispaniserende clichés?
SF : Die mode wordt aangemoedigd door de economische belangen van de uitgevers. Maar de televisieproducties zijn nog slechter.

AI : Is in het – al te vaak miskende – aandeel van Spanje in disciplines als de kosmografie, de aardrijkskunde, de geneeskunde, de exacte wetenschappen, de botanica, de linguïstiek en de filosofie, is daar de bijdrage van de Arabisch-mohammedaanse intellectuelen wezenlijk of bijkomstig?
SF : Het aandeel van de wetenschappers van al-Andalus was zeker belangrijk, vooral in het doorgeven van de kennis van de Perzen, Indiërs en van de Griekse oudheid, die langs verschillende wegen tot Europa zijn gekomen, waaronder die van al-Andalus.

AI : De mediëvist Sylvain Gougenheim heeft de thesis op losse schroeven gezet, volgens welke de mohammedaanse wereld in de middeleeuwen een fundamentele rol zou hebben gespeeld in de overdracht van de Griekse wetenschap en filosofie naar het westen. In zijn boek Aristote au Mont-Saint-Michel: les racines grecques de l’Europe chrétienne, heeft hij aangetoond dat het belang van de directe Latijnse vertalingen sterk onderschat is, wat hem de smaad heeft opgeleverd van de politiek correcte meestercensoren. Waar plaatst u zichzelf in dat debat?
SF : Dat boek van Gougenheim is voortreffelijk, goed gestructureerd, magnifiek gedocumenteerd, en precies dat heeft pijn gedaan. Aangezien hij met historische argumenten moeilijk tegen te spreken is, neemt men zijn toevlucht tot persoonlijke aanvallen. Een van ouds bekende methode! Hij geeft blijk van grote moed – vandaag is dat trouwens onontbeerlijk – door taboes en gesacraliseerde routine-oordelen ter discussie te stellen. Onderzoek en meningen moeten vrij zijn. Men mag ze niet onderwerpen aan de tirannie van het politiek correcte, een complex dat ons vanuit Amerikaanse universiteiten is komen aanwaaien en dat tot de vrije meningsuiting zelf verstikt. Dat doet toch de deur dicht!

AI : U hebt een opzienbarend artikel geschreven in een van de grote Madrileense kranten, met als titel: ‘Ik wens geen dhimmi te zijn’. Wat precies bedoelde u?
SF : Heel eenvoudig dat ik mijn kinderen of kleinkinderen niet wil zien leven zoals de christenen in het Cordoba van de negende eeuw leefden. Alhoewel, laat me dat zeggen, ik niet meen dat zoiets op een dag te gebeuren staat, want – met al hun gebreken – de Europese samenlevingen zullen dat niet toelaten.

AI : Is het niet zo dat vandaag de scholen in de Maghreb een bijna paradijselijke kijk op al-Andalus opdissen, en dat de Spaanse christenen als usurpators worden voorgesteld?
SF : Ja, zo is het! En in de schoolboeken in Tunesië gebeurt dat nog enigszins discreet, maar in die van Marokko gaat het er extremer aan toe, met een veel hevigere nationaal-chauvinistische dweepzucht. Heel de geschiedenis door heeft het Iberisch Schiereiland talloze invasies ondergaan, sommige gevolgd door een massieve acculturatie. De Arabisch-mohammedaanse was er een van, en de Reconquista – om de traditionele terminologie te gebruiken – was er een andere. Dit gezegd: sinds de dertiende eeuw maken Cordoba, Sevilla, Cadiz enzovoort deel uit van Spanje, en hun bevolking is 100 procent Spaans. Ze als usurpatoren afschilderen is gekheid.

AI : Wat zijn volgens u de factoren die de opgang van de islam bij het begin van de eenentwintigste eeuw verklaren?
SF : De grote demografische explosie, de controle over de petroleum en over enorme kapitalen op de financiële markten door enkele islamlanden – die juist niet democratisch zijn – de zelfvernietiging van het Europese imperialisme, dat aan zijn bestaan eigenhandig een eind heeft gemaakt, ook al heeft het na de Tweede Wereldoorlog druk ondervonden van de Verenigde Staten. Voegen we daaraan toe dat het Arabisch nationalisme en islamisme, dat logischerwijze expansie zoekt, grote openliggende plekken in beslag heeft genomen. Dat is geen waardeoordeel, maar eenvoudig een beschrijving.

AI : Is de gemeenschap van de moslims, de ‘oemma’ helemaal verdeeld of relatief eendrachtig?
SF : Als het over essentiële zaken gaat is de eendracht van de soennieten totaal, al zijn er vanwege de grote geografische spreiding culturele substraten en adstraten, of wat bijkomstige details aangaat varianten al naar de juridische scholen, de madahib.

AI : Bestaat er een gematigde islam en een radicale islam?
SF : Alles hangt af van wat je onder ‘gematigd’ verstaat. Als het betekent dat iemand in alle gemoedsrust toelaat dat zijn dochter met een christen of een atheïst trouwt, en hij het even natuurlijk vindt dat een andere moslim de islam vaarwel zegt, of als hij voor alle religies het recht verdedigt om waar dan ook op de planeet bekeringswerk te doen, dan hebben we te maken met een gematigde die zijn eigen overtuiging beleeft zonder de anderen te hinderen. En dat geldt voor de gelovigen van alle godsdiensten.

AI : In 2010-2011 hebben de grote westerse media – over het algemeen met enthousiasme – de ‘democratische revoluties van de Arabische Lente’ begroet. De beweging van de ‘indignado’s’, die jonge protesteerders die op de voornaamste pleinen van Spanje hun tenten opsloegen, beriep er zich expliciet op. Houdt de ‘Arabische Lente’ nieuwe perspectieven in voor de mohammedaanse wereld, en van de weeromstuit voor Europa?
SF : Die verontwaardigde jongelui – overigens niet altijd zo jong – hebben niet het minste idee van wat het is te leven in een moslimland. Diegenen die een politieke vorming hebben, zijn gewoon anarchisten en extreem-linkse communisten, maar de meerderheid van die ‘indignado’s’ zijn fils à papa’s die zonder echte doelstellingen revolutietje spelen. Ze gebruiken en misbruiken vage begrippen – rechtvaardigheid, liefde, vrede, solidariteit enzovoort – of volmaakt lege leuzen. Ze zijn zelfvoldaan want ze trappen open deuren in, maar wat hen ontbreekt zijn bérgen lectuur over de sociale en revolutionaire strijd in Europa, al vanaf de Franse Revolutie, tot aan de Russische, met en passant nog de Duitse van 1848. Als ze al politieke doelstellingen hebben, zelfs vage, dan staan ze lijnrecht tegenover het islamisme, dat de katalysator is geweest – dat wordt almaar duidelijker – van de volksopstanden die de journalisten welwillend met de naam ‘Arabische Lente’ hebben bedacht. De nieuwigheid voor de Arabische wereld is dat het islamisme sterker en sterker wordt. En dat is verontrustend.


Een ingekorte versie van dit onderhoud verscheen in de Nouvelle Revue d’Histoire nº 62, sept-oct. 2012.

_________

[1] al-Andalus en Andalusië zijn twee verschillende begrippen. Fanjul zal dat in het gesprek verduidelijken.
[2] Zijn redevoering bij intrede (22 april 2012) werd gepubliceerd door de Real Academia de la Historia, onder de titel: Al-Andalus, una imagen en la Historia (Madrid, 2012).
[3] Van het Spaanse ‘morisco’: Moren (Arabieren en Berbers) die na 1492 onder dwang of uit berekening waren overgegaan van de islam tot het christendom.
[4] Les Arabes n’ont jamais envahi l’Espagne (Flammarion 1969). In de Franse tekst zegt de vraagsteller verkeerdelijk: ‘Les musulmans n’ont jamais envahi l’Espagne’.
[5] Van, of betrekking hebbend op de christenen onder de moorse heerschappij.
[6] Term afkomstig uit de Spaanse Burgeroorlog: binnenlandse groepen die werken voor de vijand.
[7] Agent van Hendrik IV, door hem naar Spanje gestuurd om afspraken te maken met de morisken.
[8] Eveneens een Franse agent bij de morisken. Terechtgesteld in Valencia kort na zijn arrestatie.
[9] Alfons X (1221-1284), ‘Alfonso el Sabio’, de Wijze: koning van Castilië en León.
[10] De zevendelige Code’ van 1576.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html