23 juli 2017

Royalty-watching in de zeventiende eeuw, deel 2


Kardinaal de Retz stond niet bekend als een adonis, maar hij was wel een schitterend schrijver. Dat laatste beseften de meesten van zijn tijdgenoten niet want zijn Memoires werden pas veertig jaar na zijn dood gepubliceerd. Wij evenwel weten dat al na één zin: Mme de Carignan disait un jour, devant la Reine, que j’étais fort laid, et c’était peut-être l’unique fois de sa vie où elle n’avait pas menti. Mme de Carignan zei eens in het bijzijn van de Koningin dat ik erg lelijk was, en dat was misschien de enige keer in haar leven dat ze niet gelogen heeft.

In het vierde boek van zijn memoires beschrijft de kardinaal ons nogmaals het karakter van Mademoiselle de Chevreuse – deze keer was hij misschien vergeten dat hij haar in het tweede boek al had voorgesteld. Zijn beschrijving is nu iets uitgebreider, maar volkomen in overeenstemming met wat we al wisten.

Mlle de Chevreuse bezat alleen het soort schoonheid waarop men uitgekeken raakt als het niet meer is dan dat. Geestig was zij enkel voor diegene die ze beminde. Maar aangezien ze nooit lang beminde, vond men ook niet lang dat ze geestig was. Ze ergerde zich aan haar minnaars zoals aan haar oude plunjes. Andere vrouwen raken die beu, zij verbrandde haar spullen, en haar dienstmeisjes hadden alle moeite van de wereld om een jurk te redden, of haar mutsjes, handschoenen, of een point de Venise. Ik geloof dat als ze haar minnaars in de fik had kunnen steken eens zij erop uitgekeken was, zij dat van ganser harte had gedaan. Mevrouw haar moeder, die na haar besluit om helemaal de kant van het Hof te kiezen haar tegen mij wilde opzetten, slaagde daar niet in, al had zij er wel voor gezorgd dat Mme de Guémené haar een brief van mijn hand te lezen gaf waarin ik mij met lichaam en ziel aan haar had geschonken, zoals de heksen zich aan de duivel overgeven. In het schandaal dat volgde tussen het huis de Chevreuse en mijzelf – toen de Kardinaal [Mazarin] weer zijn intrede deed in het Koninkrijk – sprong zij mij hartstochtelijk terzijde. Twee maanden later sloeg zij om, om niets en zonder te weten waarom. Zij vatte plots een passie op voor Charlotte, een heel mooi kamermeisje van haar dat voor alles te vinden was. Zij ging maar zes weken mee, want toen werd ze verliefd op de abbé Fouquet, en wel zo erg dat ze met hem getrouwd was als hij dat gewild had.

Dit alles vertelde ik enkel om duidelijk te maken dat Retz een betrouwbare getuige is, maar laten we nu verdergaan met het echte royalty-watchen.

Bijna alles wat hier staat is een gevolg van de gehechtheid aan Kardinaal Mazarin die de Koningin vertoonde, en om die reden lijkt het me dat ik u de aard van die gehechtheid moet uitleggen – misschien had ik dat al veel eerder moeten doen – en u zult er des te beter over kunnen oordelen als ik u hier vooraf enkele voorvallen uit haar eerste jaren uit de doeken doe, voorvallen die ik even duidelijk en betrouwbaar acht als diegene die ikzelf heb gezien, want ik heb ze van Mme de Chevreuse, haar enige ware confidente in haar jonge jaren. Zij heeft me vaak gezegd dat de Koningin geestelijk noch lichamelijk een Spaanse was; dat zij noch het temperament, noch de gloed van haar natie bezat; enkel de koketterie had zij ervan overgeërfd, maar dan wel in de hoogste mate; dat Monsieur de Bellegarde – oud, maar beschaafd en galant zoals dat de mode was aan het hof van Henri III – haar was bevallen, maar dat zij van hem gedegouteerd was geraakt omdat hij bij zijn afscheid van haar, toen hij het bevel nam van het leger in La Rochelle, eerst heel in het algemeen de wens had uitgesproken bij zijn vertrek te mogen hopen op een gunst van haar, en hij vervolgens zich ertoe had beperkt haar te verzoeken haar hand te willen leggen op het gevest van zijn degen; dat ze dat verzoek zo gek had gevonden dat ze zich daar nooit overheen had kunnen zetten; dat ze was ingegaan op de galante voorstellen van Monsieur de Montmorency, veel meer dan dat zij die man ook had bemind; dat de aversie die zij had voor de manieren van Kardinaal Richelieu – die in de liefde al even pedant was als een schappelijk man in alle andere kwesties – ervoor gezorgd had dat zij zijn liefdesblijken nooit had kunnen uitstaan; dat de enige man die zij passioneel had bemind de hertog van Buckingham was; dat zij hem op een nacht rendez-vous had gegeven in de petit jardin van het Louvre; dat zij, Mme de Chevreuse, toen alleen was met haar en dat zij, nadat ze zich wat had verwijderd een geluid had gehoord als van twee mensen die aan het vechten waren; dat toen zij nader was gekomen tot bij de Koningin, zij deze in grote ontsteltenis had aangetroffen met monsieur de Buckingham op zijn knieën voor haar; dat toen de Koningin zich in haar appartement terugtrok die avond, zij ermee had volstaan haar te zeggen dat alle mannen brutale vlegels waren, en zij haar de volgende ochtend had opgedragen aan Monsieur de Buckingham te vragen of hij zich er wel goed van had vergewist dat zij niet het gevaar liep zwanger te raken; dat na dit avontuur zijzelf, Mme de Chevreuse, niet het geringste teken meer had gezien van ook maar de kleinste galante stap van de Koningin; dat zij bij haar wel een sterke toeneiging tot de Kardinaal [Mazarin] had opgemerkt; maar dat zij niet had weten te achterhalen hoever die toeneiging haar had gebracht; dat het anderzijds waar was dat zij kort daarop van het Hof was verwijderd, en niet de tijd had gehad voor een klaar inzicht, ook al zou er iets aan de hand zijn geweest; dat bij haar terugkeer in Frankrijk na het beleg van Parijs, de Koningin zich tegenover haar aanvankelijk zo gesloten had opgesteld dat het haar niet gelukt was om in de zaak verder door te dringen; dat nadat de zaken hun gewone beloop hadden teruggevonden, ze bij momenten toch bepaalde gedragingen bij haar had opgemerkt die veel weg hadden van die met Buckingham destijds; dat op andere momenten hun manier van omgaan maakte dat zij dacht te moeten oordelen dat er enkel een intieme geestelijke band tussen hen bestond; dat een van de belangrijkste aanwijzingen de manier was waarop de Kardinaal met haar omging: weinig galant en zelfs ruw. “Hetgeen evenwel”, voegde Mme de Chevreuse daaraan toe, “beantwoordt aan twee kanten van het karakter van de Koningin zoals ik haar ken. Buckingham zei me eertijds dat hij drie koninginnen had bemind, en dat hij zich bij alle drie verplicht had gezien hen stevig in te tomen; dat maakt dat ik hierover geen oordeel kan vormen.” Tot zover wat Mme de Chevreuse me vertelde. Maar ik kom nu terug op de draad van mijn verhaal.

19 juli 2017

De schaamteloze Dikke van Dale


De Dikke van Dale is samen met de hele familie van Dale op zoek naar vers geld en aangezien de nood blijkbaar hoog zit, zijn alle middelen goed. Oude trouwe betalende klanten van de firma worden voor het blok gezet, en de Dikke probeert hun zakken wat lichter te maken.
Eerlijk is dat natuurlijk niet, schaamteloos wel, maar wat wil je: “de tijden zijn veranderd”!
Dat heb je inderdaad met tijden: die veranderen. Ook de zeden doen dat, maar “technieken”, inzonderheid oplichtings- en chantagetechnieken veranderen gelukkig niet even snel.



18 juli 2017

Royalty watching in de zeventiende eeuw


Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz, leefde van 1613 tot 1679, maar pas in 1717 verschenen zijn Memoires. Retz had immers geen literaire pretenties, moeten we geloven, en in zijn tijd werd het beneden de waardigheid van een kardinaal geacht om zich met iets als literatuur bezig te houden. Dat neemt niet weg dat hij een begenadigd schrijver was, eerder dan een begenadigde deugdzame kardinaal.

Op een bepaald moment geeft Retz ons na elkaar een twintigtal portretten van tijdgenoten die in zijn verslag eerder al waren opgetreden, maar die hij aan de lezer nog niet formeel had gepresenteerd. Hij was dat eerst vergeten, zegt hij: een mooie literaire truc.

Hij is niet altijd even lovend voor zijn tijdgenoten. Over de hertog van Bouillon zegt hij bijvoorbeeld: Ik ben er niet zeker van dat men zijn verdiensten niet wat heeft overschat, door aan te nemen dat hij in staat was tot alle grote daden die hij nooit heeft gesteld.
Maar aangezien Retz een kardinaal was die zich liever bezighield met vrouwen dan met bijvoorbeeld kleine jongetjes, komt hij pas goed op dreef als hij vrouwenportretten schildert. Even goed als Rubens, al zijn zijn portretten zoals ik al zei soms weinig geflatteerd.

Hij begint met een Portrait de la Reine – Anna van Oostenrijk die regentes van Frankrijk was omdat Lodewijk de XIVde nog maar vijf was toen Lodewijk de XIIIde stierf:

De Koningin bezat, meer dan iemand die ik ooit heb gekend, het soort vernuft dat ze nodig had om niet voor gek door te gaan bij wie haar niet kende. Ze vertoonde meer bitsigheid dan hoogmoed, meer hoogmoed dan grandeur, meer maniertjes dan diepgang, meer spilzucht dan gulheid, meer gulheid dan eigenbelang, meer eigenbelang dan belangeloosheid, meer aanhankelijkheid dan passie, meer hardheid dan fierheid, meer geheugen voor beledigingen dan voor weldaden, meer vrome intenties dan vroomheid, meer koppigheid dan vastberadenheid, en meer onwetendheid dan alles wat ik hierboven noemde.

Even verder komt de Duchesse de Chevreuse aan de beurt: In de tijd dat ik haar kende, vertoonde Mme de Chevreuse niet eens de resten nog van enige schoonheid.

Haar dochter vergaat het nauwelijks beter: Mlle de Chevreuse bezat meer schoonheid dan charme en was van nature dwaas tot in het belachelijke. Passie gaf haar soms iets spits, en zelfs ernstigs en aangenaams, maar dan enkel voor diegene waar ze verliefd op was. Maar alras behandelde zij hen zoals haar nachtjaponnen: ze nam ze in bed als ze haar bevielen, en verbrandde ze twee dagen later uit pure afkeer.

Ik weet niet of kardinalen van tegenwoordig nog zulke mooie memoires zullen nalaten.

7 juli 2017

Een niet-gekraakte modelwoning!


Het zou onredelijk zijn om van enkele Romazigeunerfamilies te verwachten dat ze je leegstaande huis – dat hoe dan ook flink wat herstelwerken kon gebruiken – na hun tijdelijke intrek als een instapklare modelwoning zouden achterlaten. Akkoord, je kunt ze als ongenode gasten beschouwen en hun hulp liever missen, maar leegstand is in geen geval goed voor een huis.

Blijft natuurlijk dat bijvoorbeeld een schouwbrand vervelend kan zijn als hij door onvermogenden, en zeker door onverzekerden is aangericht.

Bij die Roma is zo’n ongeluk verbazingwekkend, want destijds in Bulgarije en Roemenië kwamen dergelijke dingen niet voor. Onder het socialistische bewind in die landen werden zij tewerkgesteld, op het land, in de fabriek, bij de stadsreiniging – zoals trouwens iedereen toen werk had, en onderbetaald en arm was. “Leefloon” en aanverwante begrippen waren onbekend, en inbraak of diefstal werden eenvoudig met inkerkering beteugeld. Die Roma hebben toentertijd dus wel goede manieren geleerd.

Bij een wandeling door het stadje Sozopol, aan de Zwarte Zee, zag ik een voorbeeld van hoe de overheid toen haar opvoedkundige taak opvatte (socialistische overheden beschouwen het ook vandaag nog als hun taak om de onderhorigen enig ethisch bewustzijn bij te brengen).
Op de foto ziet u een geëmailleerde plaquette, aangebracht op een poortje dat uitgeeft op een mooie, koele binnentuin: ОБРАЗЦОВ ХИГИЕНИЧЕН ДОМ. Eerst dacht ik nog dat hier misschien een gevaarlijke hond zat, maar mijn vriendin vertaalde anders: “Voorbeeld! Dit is een nette woning.”

Mensen die hun woning proper onderhielden, hun tuin verzorgden enzovoort, kregen van de Bulgaarse overheid zo’n plaquetje en mochten dat fier bevestigen op hun muur, voordeur, of zoals hier aan hun poortje. Die plaquetjes zie je niet vaak meer, er wordt tegenwoordig lacherig over gedaan, en de bewoners van dat huis zullen dus wel oude mensen zijn, wie weet zelfs oude communisten.

26 juni 2017

Laat de mensenwereld zich in cijfers vatten?


Renaud Camus is de man die de term «le grand remplacement» heeft bedacht, en zelfs als politieke doelstelling geduid. Het spreekt dat hij daarna niet meer aan bod kwam in de grote media. Hij werd zelfs vervolgd voor "racisme". Maar niets hielp: zijn «grand remplacement» werd op talloze plaatsen gebruikt ter aanduiding van de massa-immigratie, de gettovorming enzovoort. Tegen een term die blijkbaar tegemoetkomt aan een behoefte valt weinig te beginnen. Maar dat men de man zelf bleef negeren, vond Alain Finkielkraut niet serieus en hij nodigde hem uit in zijn programma Répliques, Daar had Camus een stevige tegenstander aan de demograaf Hervé Le Bras die met cijfers in de hand het helemaal met hem oneens was.
Ik vertaal een fragmentje, waarin Camus een ernstige filosofische twijfel uit:
Ik zou het debat willen opentrekken, en de notie "cijfer" zelf betwisten. Ik ben het grondig eens met de filosoof Olivier Rey [van huis uit wiskundige] die de onderstreept dat cijfers niet bij machte zijn rekenschap te geven van de [menselijke, sociale, beleefde] wereld. De laatste veertig jaar werden wij overspoeld door cijfers. De humane wetenschappen... ik vrees meer en meer dat die een doodlopend straatje zijn, een oxymoron. Er zit een tegenstelling in [de term zelf] en misschien maar gelukkig ook! Een mens zinkt aan alle kanten weg in de cijfers, en die cijfers zijn niet in staat gebleken een beeld te geven van wat er aan de hand is. Niet enkel heeft de sociologie de Franse en Europese bevolking niet gewaarschuwd voor de enorme gebeurtenis die eraan kwam – voor dat gigantische fenomeen dat ik de inwisseling van volk en cultuur noem – maar naarmate dit zich afspeelde heeft ze het ontkend, zij was het ontkenningsmechanisme bij uitstek.



Renaud Camus (10'56"): Alors, j’aurais tendance à élargir le débat si je puis dire, et à contester la notion de chiffre. Moi je suis en accord très profond avec le philosophe Olivier Rey qui souligne l’incapacité du chiffre à rendre compte du monde. Depuis quarante ans nous avons été submergés par les chiffres. Les sciences humaines… je crains de plus en plus que les sciences humaines ne soient une aporie, un oxymore. Il y a une contradi… et tant mieux peut-être! L’homme se dérobe de toutes parts aux chiffres, et les chiffres ont été incapables de rendre compte de ce qui survient. La sociologie, non seulement n’a pas averti la population française et la population européenne de la chose énorme qui se présentait – ce phénomène gigantesque, ce que j’appelle le changement de peuple et de civilisation – mais au fur et à mesure qu’il se déroulait, elle l’a nié, elle a été la dénégation par excellence.

23 juni 2017

Twee ontgoochelingen


Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz (1613-1679) schreef zoals men dat enkel in zijn eeuw kon. Of nee, in de eeuw daarop kon men dat ook nog, want toen schreef Casanova – geen kardinaal, enkel een abbé. Die twee hebben gemeen dat ze zichzelf niet sparen in hun Memoires: ze vertellen ook over al hun nederlagen en kleine kantjes. Tenminste dat willen ze ons laten geloven, en zeker is dat de geloofwaardigheid van hun succesverhalen daardoor vergroot wordt.
Retz schrijft aan Mme de ***: “Op vraag van u, schrijf ik de geschiedenis van mijn leven, en het plezier dat ik erin vind om u strikt te gehoorzamen, maakt dat ik mezelf zo weinig spaar.”
Casanova zal vertellen over La Charpillon, een zeventienjarig Zwitsers hoertje* dat in Londen werkte en waar hij verliefd op was. Zij ontzegde hem haar gunsten, pikte samen met haar moeder zijn halve fortuin in, en dreef Giacomo bijna tot zelfmoord. Met zijn zakken gevuld met lood stapte hij naar een brug over de Theems, maar onderweg liep hij een bekende tegen het lijf, ze dronken iets en aten iets, en van uitstel kwam afstel.
Bij Retz kunnen we niet echt van een depressie spreken, laat staan van een burn out, maar zeker wel van een dipje:

Mme de La Vergne, de moeder van Mme de Lafayette, was in een tweede huwelijk getrouwd met de chevalier de Sévigné, en mevrouw haar dochter logeerde daar op dat moment, of ze logeert er nog.
Deze Mme de La Vergne was au fond een fatsoenlijke vrouw, maar gretig naar elk laatste weetje, en ingenomen met welk soort intrige ook, zonder uitzondering. Meer dan enige vrouw die ik ooit heb gekend. Wat ik haar die dag voorstelde, omdat ze mij daarbij goede diensten kon bewijzen, was van aard om een heilig boontje meteen af te schrikken. Ik kruidde mijn discours nu met zo’n aantal plechtige verklaringen over mijn goede intenties en integriteit, dat het niet tegen de borst stootte. Maar tegelijk werd de boodschap enkel in ontvangst genomen nadat ik plechtig had beloofd dat ik nooit zou beweren dat zij, van de diensten die ik haar vroeg, meer had begrepen dan wat men in geweten en omwille van de goede, kuise, pure, simpele en heilige vriendschap mocht doen. Ik beloofde alles wat men maar wilde. Men nam mij op mijn woord, en was zelfs bijzonder verheugd zodoende een heel geschikte gelegenheid te hebben gevonden om een eind te stellen aan mijn omgang met Mme de Pommereux, waarvan men aannam dat die niet zo onschuldig was.
De zaak waarvoor ik haar vroeg mij behulpzaam te zijn, moest puur vergeestelijkt, engelachtig van aard zijn, want het ging om Mlle de La Loupe, die u hier eerder al ontmoet hebt onder de naam Mme d’Olonne. Ze was mij enige dagen daarvoor zeer bevallen, in een klein gezelschap dat zich had gevormd in het cabinet van Madame. Ze was mooi, ze was aanvallig door haar voorkomen en haar bescheidenheid. Ze logeerde vlak bij Mme de La Vergne, ze was een intieme vriendin van madame haar dochter. Ze had zelfs een deurtje laten steken waardoor zij elkaar konden ontmoeten zonder het pand uit te hoeven. De genegenheid die de chevalier de Sévigné mij toedroeg, en dat ik in zijn woning thuis was, en wat ik over de behendigheid van zijn vrouw wist, dat alles droeg sterk bij tot mijn goede verwachtingen. Zoals het liep bleken die volslagen ijdel. Want al rukte men mij de ogen niet uit, en kneep men mijn keel niet dicht om me zelfs nog maar het zuchten te beletten, en al merkte ik aan bepaalde gedragingen dat men er geen bewaar tegen had te zien hoe gedwee de paarse keppel was, en hoe schitterend opgemaakt en stralend zij ook was, we bleven altijd op voet van gestrengheid, of beter gezegd van eerbaarheid, wat mijn tong afsneed alhoewel die nogal libertijns was, en dat moet diegenen verwonderen die nooit Mlle de La Loupe hebben gekend, en over Mme d’Olonne hoogstens hebben horen spreken. Deze kleine geschiedenis doet zoals u ziet weinig eer aan mijn verleidingskunsten. En nu zal ik het kort even hebben over de gebeurtenissen in Guyana.

Maar ik neem aan, lezer, dat de gebeurtenissen in Guyana u minder interesseren.

__________
* Marie-Anne-Geneviève Augspurgher (ca.1746-1777).

21 juni 2017

Over politieke propaganda


Met een frisse pint bij de hand een grappige tekst lezen is denk ik het beste dat een mens nu kan doen. Daarom vertaalde ik een klein fragmentje uit de Mémoires van de Cardinal de Retz (uitgesproken rè, zoals de rog, al neigt het soms wat naar de van de muzieknoot), waarin hij ons de herkomst van het woord ‘fronde’ verklaart. Wij kennen die term uit mantel- en degenfilms, en denken dan aan de opstand van de edellieden tegen kardinaal Mazarin, en tegen Anna van Oostenrijk die als voogdes regeerde omdat Lodewijk XIV nog maar vijf jaar oud was toen hij troonopvolger werd. Maar fronde betekent eerst ook ‘slinger’, het werpwapen. Genoeg nu, Retz zelf legt dat beter uit:

Dat woord herinnert me aan wat ik in het eerste boek van dit werk geloof ik vergeten ben u uit te leggen. De etymologie ervan namelijk, die wel niet zo belangrijk is maar toch niet mag ontbreken in een verhaal waarin die term onmogelijk niet meerdere keren moet vallen. Toen het Parlement vergaderingen begon te beleggen over de publieke toestand, verschenen de hertog van Orléans* en Monsieur le Prince** er nogal vaak, zoals u hebt gezien, en soms konden ze de gemoederen daar zelfs wat bedaren. Die rust was er enkel nu en dan. Na een dag of twee liep de temperatuur opnieuw op, en kwam men weer samen met de heftigheid van het eerste uur. Op een dag haalde Bachaumont*** het in zijn hoofd om schertsend te zeggen dat het Parlement deed zoals schooljongens die keitjes in de grachten van Parijs slingeren, uiteenstuiven als ze de burgerwacht zien opdagen en weer samentroepen zodra die weg is. Die vergelijking werd wel grappig gevonden, ze werd ook in liedjes bezongen, en ze leefde in het bijzonder weer op toen de vrede tussen de Koning en het Parlement tot stand was gebracht, en men ze graag gebruikte ter aanduiding van de specifieke factie van oproerigen die zich verzetten tegen een schikking met het hof. Wijzelf gebruikten ze nogal eens, omdat we zagen dat die betiteling de geesten verhitte. Toen voorzitter de Bellièvre**** me zei dat de eerste voorzitter ons in onze afwezigheid voor deze kwinkslag veroordeelde, liet ik hem een manuscript zien van Sint-Aldegonde, een van de vroegste stichters van de Hollandse republiek, waarin opgemerkt werd dat bij het prille begin van de opstand der Nederlanden, Brederode zich erover had opgewonden dat men hen ‘geuzen’ noemde, maar dat de Prins van Oranje, die de ziel van de opstand was, hem schreef dat hij daar waarachtig het belang niet van inzag, dat hij er juist bijzonder mee in zijn schik was en zelfs niet zou nalaten, bij dezen en bij wijze van bevel, hen kleine bedelzakjes op hun mantels te doen borduren. Diezelfde avond besloten wij om hoedenlinten te nemen die min of meer op een slinger geleken. Een vertrouwde koopman vervaardigde voor ons een partij daarvan, en sleet die aan een massa mensen die de finesse in het geheel niet snapten. Wijzelf waren bij de laatsten om ze te dragen, om aanstellerij te vermijden, wat het mysterie helemaal zou hebben bedorven. Het effect van deze bagatel was ongelooflijk. Alles ging mee in die mode, het brood, hoeden, kanten kniestukken, handschoenen, manchetten en waaiertjes en alle versierselen. En wij waren meer in de mode door die zottigheid dan door de zaken waar het echt om ging.

________

* Gaston d’Orléans, broer van Louis XIII, ‘Monsieur’.
** Louis II de Bourbon-Condé, eerst bekend als le duc d'Enghien.
*** François Le Coigneux de Bachaumont.
**** Pompone de Bellièvre.

15 juni 2017

Nederlands is een rare taal


U herinnert zich dat niet meer, lezer, maar in 1980 had niemand een computer in huis en internet was nog onbekend. Als mensen met de snelheid van het licht iets wilden horen over een land aan het andere eind van de wereld, dan waren zij aangewezen op radiozenders, kortegolfzenders. Dat was een ingewikkelde kwestie met golven die teruggekaatst werden door de ionosfeer, en die de hele wereld rondstuiterden als de zonnewind wat meezat. De BBC had Alistair Cooke, met zijn Letter from America, en de Vlamingen hadden Jan-Albert Goris, ook uit Amerika. In de omgekeerde richting ging het ook, en zo konden Nederlanders die in de Nederlandse Antillen of Suriname woonden, of in Nieuw-Guinea, via de korte golf vernemen wat er in hun vaderland aan de hand was.

Karel van het Reve sprak jarenlang tot de landgenoten in de Rijksdelen overzee. Veel van zijn stukjes kunt u vinden in Luisteraars!, in 1995 bij van Oorschot uitgegeven, of anders natuurlijk in het Verzameld Werk. Maar plezieriger nog dan ze zelf lezen, is ze te horen voorlezen, zoals hieronder. Bedenk wel dat de luisteraars in de verre landen niet de kwaliteit hoorden die wij hier aan de zenderkant horen: bij hen ebde die stem op en neer, zoals bij ons De Stem uit Amerika. Dat aanzwellen en wegebben moet u er maar bij denken.

De stukjes van Karel van het Reve waren voor volwassenen bestemd, niet voor kleuters, en dus had hij het soms ook over een wat moeilijker onderwerp, zoals hier op 6 november 1980 over de problemen van mensen die uit de een of andere taal naar ons rare Nederlands vertalen. Die problemen worden vaak onderschat.


5 juni 2017

Hoe zit dat nu met die aangeboren ideeën?


In het begin van het zesde onderhoud (zie vorig stukje) had de graaf enkele duidelijke uitspraken over John Locke gedaan, zoals bijvoorbeeld: «Croyez-moi, ne vous fiez point à Locke qui n’a jamais rien compris à fond.» Verlaat u niet op Locke want die heeft nog nooit iets grondig begrepen.
Locke had geschreven dat er geen aangeboren ideeën bestonden (tabula rasa), en dat kon de graaf (Maistre zelf) natuurlijk niet hebben. Maar de ridder, een jonge officier die graag oorlog voert maar filosofisch niet zo beslagen is als zijn gesprekspartners, stelt al plagend soms een naïeve vraag, en verwacht dan een kort en duidelijk, ‘militair’ antwoord. Hier wilde hij weten wat er nu zo verwerpelijk en verkeerd was aan die opvatting van Locke:

De graaf: Oh u alweer! U heeft nog nooit iets in de weg kunnen staan, maar om op deze discussie in te gaan ben ik beducht, en ik heb daar mijn redenen voor. Maar als u me wat moed wil geven, begin dan alstublieft met te gaan zitten. U hebt een soort onrust die mij onrustig maakt. Ik weet niet wat voor kwelgeest het is die u gedurig steekt, maar dat u geen tien minuten kunt stilzitten is wel zeker. Meestal moeten mijn woorden u achtervolgen zoals de hagel op zoek gaat naar een vogel in volle vlucht. Wat ik u te vertellen heb zou wel eens heel goed op een sermoen kunnen lijken, en dus moet u me zittend aanhoren. – Goed zo. Welnu mijn beste ridder, laat ons als u dat goedvindt in alle openheid beginnen. Zegt u mij eens rechttoe rechtaan: hebt u Locke gelezen?
De ridder: Nee, nooit. Ik heb geen reden om u dat te verbergen. Alleen herinner ik me dat ik hem op een dag heb opengeslagen, op de buiten, op een regendag, maar dat was enkel om mij een houding te geven.
De graaf: Het is niet zo dat ik u altijd wil beknorren: soms hebt u van die rake uitdrukkingen, en inderdaad, dat boek van Locke wordt bijna nooit ter hand genomen en opengeslagen, of het moet zijn om zich een houding te geven. Onder de serieuze werken zijn er geen die nog minder gelezen worden. Een van mijn grote nieuwsgierigheden, maar nooit zal eraan voldaan worden, is dat ik graag zou weten hoeveel mensen in Parijs het van voren naar achteren gelezen hebben, het Essay over de menselijke natuur. Men spreekt erover en men citeert hem veel, en altijd moet je dan iemand op zijn woord geloven. Ikzelf ook, zoals zovele anderen, heb er onverschrokken over gesproken zonder dat ik hem gelezen had. Maar ten langen leste, omdat ik mij het recht wilde verzekeren om er in geweten iets over te zeggen, ik bedoel met diepe en volle kennis van zaken, heb ik het rustig van het eerste tot het laatste woord gelezen, met de pen in de hand,
…maar vijftig was ik al, toen dat me overkwam,*
en ik meen dat ik me in heel mijn leven nooit zo stierlijk heb verveeld. Maar u kent mijn heldhaftigheid in die omstandigheden.
De ridder: En of ik die ken! heb ik u vorig jaar niet in-octavo een dodelijk Duits werk zien lezen over de Apocalyps?** ik herinner me, dat toen ik zag dat u het werk uit had, blakend van leven en gezondheid, ik u gezegd heb dat men u na een dergelijke beproeving mocht vergelijken met een kanon dat een schot met dubbele lading had doorstaan.


______________


* In de noten lezen we dat dit een pastiche is op een vers van zekere Piron uit La Métromanie (1738): «Et j’avais quarante ans quand cela m’arriva.»

** Maistre had in 1809 „Die Siegesgeschichte der christlichen Religion in einer gemeinnützigen Erklärung der Offenbarung Johannis“ van de oogarts Johann Heinrich Jung-Stilling gelezen (in‑8°, Nürnberg, 1799). De graaf verzekert de ridder dat dit werk ontspanningslectuur was naast An Essay Concerning Human Understanding.

Joseph de Maistre, Œuvres. Texte établi, annoté et présenté par Pierre Glaudes; Paris, Éditions Robert Laffont, 2007 (Collection Bouquins).

3 juni 2017

Mijn vooroordelen uitgelegd


Het is bekend dat men een hekel kan hebben aan schrijvers die men nooit gelezen heeft, en waar men zelfs maar heel weinig van afweet. Karel van het Reve zei dat al. Bijvoorbeeld Proust heb ik nooit gelezen (op een aantal bladzijden na, dat wel) en ik weet ook weinig over de man, maar hem lezen zal ik niet.
Nog zo iemand, zij het op een lager échelon, is Daniel Dennett, een Amerikaanse alweter waar ik ook zo goed als niets van afweet, behalve dat hij voortdurend populaire boeken schrijft over het menselijk bewustzijn en zelfbewustzijn. Mijn afkeer van hem is wellicht te verklaren door de aandoenlijk naïeve titel van een van zijn eerste gedrochten: Consciousness Explained. En al is die Dennett dan oud, en al heeft hij groot succes met zijn wijsheden, en al heeft hij een witte baard en ziet hij eruit zoals hij denkt dat een filosoof er moet uitzien, nee, ik zal hem nooit lezen. Bedankt beste Daniel, maar als er onverklaarbare dingen dienen uitgelegd te worden, lees ik liever iemand als Joseph de Maistre (1753-1821), en ik hoop mijn lezers ervan te overtuigen dat ook te doen.


De avonden in Sint-Petersburg
Vijfde onderhoud
[gesprekken tussen een ridder, een graaf en een senator]

De ridder: Hebt u zich gisteren nog wat geamuseerd, waarde senator?
De senator: Bijzonder goed zelfs, toch in de mate dat men zich bij dit soort spektakels kan amuseren. Het vuurwerk was prachtig, en er is niemand bij omgekomen, of minstens niemand van onze soort: wat de muggen en de vogels betreft, heb ik geen beter antwoord dan onze vriend* maar ik heb tijdens het spektakel wel veel aan hen gedacht, en ik had me gisteren voorgenomen jullie van deze gedachten kond te doen. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik overtuigd raakte dat natuurverschijnselen voor ons mensen zeer waarschijnlijk overeenkomen met wat menselijke handelingen zijn voor de dieren die er getuigen van zijn. Geen levend wezen kan andere kennisinhouden verwerven, dan die welke zijn wezenlijke aard uitmaken, en die uitsluitend samenhangen met de plek die het in het universum bekleedt. Dat is naar mijn mening een van de vele en onweerlegbare bewijzen voor de aangeboren ideeën, want voor om het even welk denkend wezen geldt dat als er geen ideeën van dat genre bestonden, elk van hen zijn ideeën te danken zou hebben aan toevallige ervaringen, en dan zou hij buiten zijn omschreven gebied kunnen treden en de orde van het universum verstoren. Welnu, dat is wat nooit zal gebeuren. De hond, de aap, de halfweg raisonnabele olifant** zullen bijvoorbeeld een vuur naderen, en net als wij zich behaaglijk eraan warmen; maar nooit zult u hen kunnen leren om een houtblok bij de gloeiende houtskool te duwen, want het vuur is niet hun element. Was het dat wel, dan zou het domein van de mens teniet zijn gedaan. Dat iets één ding is zullen ze wel vatten, maar het begrip éénheid nooit; ze zien de elementen van een getal wel, maar nooit het getal; één driehoek, twee driehoeken, duizend driehoeken, samen of de een na de andere zien ze goed, maar nooit het begrip triangulair. Dat in onze geest bepaalde ideeën eeuwig en altijd samengaan, maakt dat we ze dooreen halen terwijl ze essentieel verschillend zijn. Uw twee ogen vormen een beeld in de mijne; ik neem ze waar en dat leidt mij onmiddellijk tot de associatie met het begrip dualiteit; in werkelijkheid zijn die twee kennisinhouden van totaal verschillende orde, en de ene leidt geenszins tot de andere. En nu ik toch bezig ben, zeg ik zelfs meer: nooit zal ik erin slagen het morele besef van intelligente wezens te begrijpen, of zelfs maar de eenheid van de mensensoort, of van welke andere eenheid van het kenvermogen ook, los van de idee van aangeboren ideeën. Maar laat ons naar de dieren terugkeren. Mijn hond vergezelt mij naar een of ander publiek spektakel, een executie bijvoorbeeld. Vast staat dat hij alles ziet wat ik zie: de massa, de trieste stoet, de gerechtsdienaars, de gewapende macht, het schavot, de patiënt, de beul, kortom alles. Maar wat begrijpt hij van dat alles? Datgene wat hij, hond zijnde, dient te begrijpen: in de massa zal hij me herkennen en mij terugvinden als een of ander accident hem van mij heeft gescheiden, en hij zal dat zo aan boord weten te leggen dat hij niet onder de voeten van de toeschouwers kreupel getrapt wordt. Als de beul zijn arm oplicht zal het dier, als het dichtbij staat, misschien opzij springen, uit schrik dat de slag hem zou treffen; als hij bloed ziet zal hij misschien rillen, maar dan zoals in een slagerij. Zijn kennis beperkt zich daartoe, en voorbij dat punt zullen alle inspanningen van zijn verstandige instructeurs, die daar al in de eeuwen der eeuwen ononderbroken mee bezig zijn, hem nooit brengen. Noties van moraal, verantwoordelijkheid, misdaad, recht, openbare macht enzovoort, die met dit droeve spektakel samenhangen, stellen wat hem betreft niets voor. Al die ideeën omringen hem, raken hem, dringen zich om zo te zeggen aan hem op, maar vergeefs. Want geen enkel teken kan bestaan zonder dat er vooraf al de idee van bestond. Dat elk handelend wezen enkel kan handelen binnen de cirkel die voor hem is getrokken, zonder dat hij daar ooit buiten kan, is een van de meest in het oog springende wetten van de Voorzienigheid in tijdelijke zaken. En zeg nu! hoe zou het gezonde verstand het tegengestelde nog maar kunnen verzinnen? Uitgaand van deze principes, die onbetwistbaar zijn, wie zou dan niet beweren dat een vulkaanuitbarsting, een windhoos, een aardbeving enzovoort voor mij precies dat zijn, wat een executie is voor mijn hond? Van die verschijnselen begrijp ik wat ik ervan moet begrijpen, dat wil zeggen, alles wat in verband staat met mijn aangeboren ideeën, die mijn menszijn uitmaken. De rest blijft een gesloten boek.
De graaf: Niets is plausibeler dan uw idee, mijn goede vriend, of beter gezegd, ik zie niets dat evidenter is dan de manier waarop u de dingen ziet. En nochtans, wat een verschil maakt het niet als men dit vanuit een ander gezichtspunt bekijkt! Uw hond weet niet dat hij niet weet, en u, als intelligent man, u weet dat wel. Wat een buitengewoon privilege is die twijfel niet! Ga op die gedachte in, en u zult verrukt staan! Maar à propos, omdat u die snaar nu toch aangeslagen hebt…

[Enzovoort: 340 verrukkelijk geschreven bladzijden lang, in mijn uitgave: Joseph de Maistre, Œuvres, Éditions Robert Laffont, Collection Bouquins, 2007.]

___________________
* Het vierde gesprek had men moeten afbreken, omdat de senator naar het vuurwerk op de Neva wilde gaan kijken. De graaf had toen geopperd dat vuurwerk gevaarlijk was voor vogels, en dat een grote mensenmassa ook altijd risico’s meebracht.
** How Instinct varies in the grov’lling swine,
Compar’d, half-reas’ning elephant, with thine!
’Twixt that, and Reason, what a nice barrier,
For ever sep’rate, yet for ever near!
    (Alexander Pope, An essay on Man, Epistle I, 221-4)
Hoezeer verschilt niet het instinct van het gemene zwijn,
Vergeleken, half-raisonnabele olifant, bij het uwe!
Tussen dat en de Rede, wat een keurig beschot,
Voor immer afgescheiden en toch voor immer na!

31 mei 2017

Over tomatenpuree, of mooier gezegd: over concentré de tomates


Iedereen zal over Le Monde Diplomatique denken wat hij wil, maar ik lees dat blad altijd met veel smaak, tegenwoordig zelfs met meer smaak dan The New York Review of Books. Deze maand gaat het op hun voorpagina over tomaten. En misschien wist iedereen het onderstaande al allemaal, maar voor mij was het nieuw:

De gehele mensheid eet industriële tomaten. In 2016 werden 38 miljoen ton van deze groente/vrucht,* ongeveer een kwart van de totale productie dus, omgezet in concentraat ofwel geconserveerd.

*Le Monde Diplomatique houdt van precisie, en de auteur Jean-Baptiste Malet licht dus in een voetnoot toe: Voor botanici is de tomaat een vrucht. Voor douaniers een groente.

Als sinds hun verschijning in de XIXde eeuw in de Verenigde Staten, strijden Campbells' blikje tomatensoep en de rode flacon van Heinz –waarvan er wereldwijd jaarlijks 650 miljoen eenheden verkocht worden– met de Coca-Colafles om de titel van symbool van het kapitalisme. Slecht bekend is het feit dat in de geschiedenis van de massaproductie deze twee artikelen de automobiel zijn voorafgegaan. Nog voor Ford auto’s assembleerde op montagebanden, fabriceerden de bedrijven van Heinz in Pittsburgh in Pennsylvanië conservenblikjes bonen in tomatensaus, op productielijnen waar taken als het felsen van die blikjes geautomatiseerd waren. Foto’s van 1904 laten werkneemsters in uniform zien, die bij Heinz aan productielijnen werkten: de flessen ketchup lopen op een rail.

Ik heb lange jaren de uitspraak van Kid Karbonkel in Bibbergoud (1949, album van 1950) voor een typisch Amerikaanse overdrijving gehouden, maar nu weet ik wel beter.





25 mei 2017

Uit "Causeur": Ik heb me in Macron vergist


Niet dat ik alles geloof wat de auteur hier schrijft, maar hij is wel grappig, en dat op zich is al een verademing voor een arme Vlaming:


Ik heb me in Emmanuel Macron vergist
Pragmatisme komt bij hem vóór ideologie
Alain Nueilromancier

Erkennen dat men zich heeft vergist is helemaal geen schande. Integendeel, het is een bewijs van morele en intellectuele waardigheid. Waarom zijn voorbeelden van dergelijke bekentenissen dan zo schaars? Waarom kwam er nooit een schuldbekentenis van Lionel Jospin en van alle weldenkende papagaaien die jarenlang kletspraat hebben verkocht over moslims die even makkelijk in Frankrijk zouden integreren als de Polen-Italianen-Portugezen-Spanjaarden? Als ik mijn geheugen doorzoek, vind ik hoogstens enkele nogal zwakke voorbeelden.
“We hebben een heilige verbrand!” zouden de Engelse soldaten hebben uitgeroepen toen ze Jeanne d’Arc in rook zagen opgaan. Dat waren soldaten, geen rechters of aanvoerders. De katholieke kerk heeft Galileo gerehabiliteerd, en vergiffenis gevraagd omdat zij de joden godsmoordenaars noemde. Dat was eeuwen later. Lodewijk XIV heeft aan zijn achterkleinzoon, de latere Lodewijk XV bekend dat hij te krijgszuchtig was geweest, wat ons een welvarende en vredevolle achttiende eeuw heeft opgeleverd. Hier ging het om een stervende koning die zich voorbereidde op een paar kwade momenten voor het goddelijk tribunaal, en die oefende in het biechtspreken.
Zodra men een zeker gezag bezit, of dat nu intellectueel, moreel of politiek is, wordt het moeilijk om een beoordelingsfout te bekennen, ja zelfs onmogelijk. Het publiek zal dan zeggen: aangezien Lionel Jospin zich wat betreft de moslimimmigratie zwaar heeft vergist, kan hij zich in elk oordeel of elke politieke beslissing vergissen. Laten we nooit nog voor hem stemmen. Je fout bekennen is mooi, maar gaat ten koste van je geloofwaardigheid. Ik bezit geen gezag van welke aard ook, en kan dus met een gerust hart zeggen: ik heb me vergist in Emmanuel Macron.

Het is helemaal geen schande te erkennen dat er een uitzonderlijk man is opgestaan
Hij besefte zeer goed dat de kwaliteiten die men moet gebruiken om als president van de Republiek verkozen te worden, niet die zijn die men moet tentoonspreiden eens men aan de macht is. Ik heb de spot gedreven met de tv-predikant Macron, en met zijn befaamde “hartstochtelijk houd ik van jullie”, en ik had ongelijk. Er was nood aan vereenzelviging en affectie bij een volk dat gebroken was door massale werkloosheid (een angst die openlijk uitgeschreeuwd werd), en tegelijk door het almaar duidelijkere vooruitzicht op zijn etnische vervanging (een verzwegen angst, verdrongen, en des te wreedaardiger omdat er een verbod rust op het uitspreken ervan). Dat “noch links noch rechts” stemde me sceptisch. Links en rechts is een politiek feit, even onveranderlijk als koud en warm op een thermometer, en bij om het even welk onderwerp speelt het. Overbevolking van de gevangenissen: rechts beveelt de bouw van nieuwe strafinrichtingen aan, links verkiest de gevangenen los te laten, met rond de pols mooie armbandjes die men eventueel door Rolex kon laten ontwerpen.
Ik had ongelijk: die tegenstelling naar het achterplan verwijzen is een uitstekend idee. Ik heb een hekel aan de journalistieke aanduiding “het volk van links”, met als tegenhanger domweg “het volk van rechts”. Dat soort uitdrukkingen moest strafbaar zijn want volgens de Grondwet is er enkel het Franse volk. De aanhangers van Marine Le Pen herhaalden dat rechts zonder enig succes was uitgeprobeerd, dat links geprobeerd was met een nog bedroevender resultaat, en dat er bijgevolg niets anders opzat dan Front National te proberen. De slimme zet van Macron bestond erin om “noch links, noch rechts” te vervangen door “zowel links als rechts”, wat goed tot uiting komt in de samenstelling van de nieuwe regering.
Erkennen dat er een uitzonderlijk man is opgestaan is helemaal geen schande. Maar wat is het pijnlijk, pijnlijker nog dan erkennen dat men zich vergist heeft…
Ook hiervan zijn er weinig voorbeelden te vinden. Antonius die beseft dat Octavianus sterker is dan hij, en zich in de Egyptische woestijn door een soldaat laat doodsteken, Salieri die inziet dat Mozart een muzikaal genie is van een heel ander formaat dan hijzelf, en daarom diens succes bevordert, in weerwil van de legende die Poesjkin verspreidde. Talleyrand die de grootte van Bonaparte beseft en zich bij hem aansluit.
Snel aansluiting zoeken bij succes is niet noodzakelijk opportunistisch, hier speelt ook helderheid van geest. De Franse mentaliteit is gewoonlijk bijtend en spottend, en het valt haar moeilijk om de superioriteit van mensen te erkennen. De Franse humoristen krijgen het nog moeilijk als ze willen spotten met Emmanuel Macron: hij is knap, hij is intelligent, hij is energiek. Gelukkig blijft er nog Brigitte, anders kwamen ze binnenkort om van de honger. En wat meer is, Macron heeft het geluk dat hij een buitengewone, een exceptionele mentor heeft gehad: François Hollande. Bij wat voor kwestie ook, volstaat het om net het omgekeerde te doen van wat de ex-president deed, om de goede beslissing te nemen.
De ministers van de ene putten zich uit in kletspraatjes over de jongste ministerraad, de ministers van de andere zwijgen. Als ik eens wil lachen dan haal ik me de hoogst vermakelijke zin voor de geest die bij Davet en Lhomme te vinden is: «Emmanuel Macron, c’est moi». De gebochelde boze heks uit de Schone Slaapster [Charles Perrault] kijkt in de spiegel, en ziet er de Joconda.

Hij leert snel
Maar het wordt nog interessanter: de vogel Macron, met zijn schitterende verentooi [La Fontaine: voor declamatie van deze fabel moet u hier zijn] kondigt het einde van de politieke correctheid aan, even stellig als de duif met het olijftakje in haar bek het einde van de Zondvloed aankondigde. [Genesis 8:11 En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.]
Pragmatisme is de zekerste moordenaar van de ideologie. De ideologie beveelt ons migranten op te vangen en ze over heel Frankrijk te verspreiden zodat ook de meest afgelegen dorpjes eindelijk de geneugten van de multicultuur kunnen smaken. Pragmatisme vertelt ons dat dit heel duur betaald zal worden, en voor spanningen zal zorgen in de laatste nog resterende inheemse buurten. Pragmatischer is het om de boten in de zee-engte van Sicilië tegen te houden, en ze goed en wel naar een haven in Libië terug te brengen, zoals de Australiërs dat doen met de migranten die van Indonesië komen.
Het eerste werk van de regering Philippe zal zijn om de zeer lelijke ballonnen af te laten die de CGT in al haar betogingen meedraagt, die grote opblaasbare ballonnen die het hinderlijke immobilisme aanschouwelijk maken waar deze organisatie voor staat, toegewijd als zij is aan de voortzetting van de massawerkloosheid.
Maar vroeg of laat zal zich de kwestie van de identiteit stellen aan de briljante ploeg van president Macron. Dan zal het pragmatisme onze nieuwe dirigenten woorden influisteren die door de ideologie totaal verboden waren, woorden waar een vloek op rustte toen links, of een verdwaasd rechts aan de macht was, geheime taboewoorden zoals “gedaan met de familiehereniging”, of “gedaan met staatsburgerschap op grond van het geboorteland” (het zou van veel pragmatisme getuigen om dat eerst in Mayotte en Guyana te doen, de juristen vinden wel een middel), of zelfs, wie weet “voorlopige opschorting van de Schengenakkoorden”, die verschrikkelijke woorden die men enkel in de intimiteit van de slaapkamer durft te fluisteren.
Bij de hevigste critici van Emmanuel Macron zitten er mannen waar ik bewondering voor heb, zoals Ivan Rioufol of Alain Finkielkraut. Maar ik meen dat zij zich vergissen als zij denken dat een staatsman vastzit aan de stellingen die een kleine sluwe arrivist verdedigde om verkozen te raken. De Franse kolonisatie was een “misdaad tegen de mensheid” naar het schijnt, maar de afstammelingen van de slachtoffers die naar Frankrijk zijn gekomen, zijn in de nieuwe regering nauwelijks vertegenwoordigd.
De kleine Emmanuel is snel van begrip mag je zeggen, en hij zal het nog ver brengen als hem onderweg niets kwalijks overkomt [voor het mooie Franse gezegde “si les petits cochons ne le mangent pas” vind ik niet meteen een equivalent]. De avond van 7 mei, op het binnenplein van het Louvre heeft hij de Marseillaise gezongen met de rechterhand op het hart, en toen heeft een welwillende vriend hem nog moeten influisteren dat dit een puur Amerikaanse geste was, en die vergissing heeft hij sindsdien nooit meer gemaakt.
Het doek valt over de tragikomedie van deze presidentsverkiezing van 2017, die ons door het hele gamma van sterke emoties heeft gejaagd. Laten we zonder wrevel of rancune een applaus geven aan de jeune premier: hij heeft het er goed afgebracht.

12 mei 2017

Gisteravond in de salons De Boeck


Voorstelling van het boek Franse Revolutie en Engelse Traditie, een bloemlezing uit Edmund Burkes "Reflections on the Revolution in France", van een inleiding voorzien door Theodore Dalrymple. Ik mocht even toelichten:

Antwerpen, 11 mei 2017
Goede avond dames en heren, en welkom.
Karl Drabbe heeft duidelijk geen winterslaap gedaan want met zijn uitgeverij Doorbraak brengt hij in snel tempo het ene interessante werk na het andere uit. En hij vroeg mij, als vertaler van zijn jongste boek, om bij wijze van inleiding hier even de auteur ervan te situeren. Dat probeer ik kort te doen:
Giacomo Casanova werd geboren in 1725 en stierf in 1798. Hij besloeg dus een flink stuk van de achttiende eeuw, en dat was zoals we weten de tijd van de grote namen van de Verlichting. Welnu Edmund Burke leefde van 1729 tot 1792 en was dus een bijna exacte tijdgenoot. Een Dubliner die na zijn rechtenstudies naar Londen was getrokken. In 1789, op het moment dat de Bastille werd bestormd, was hij dus al zestig en had hij er een lange carrière opzitten. Eerst als politiek raadgever van de markies van Rockingham – wij zouden nu zeggen dat hij de speechschrijver, of woordvoerder van de eerste minister was.
Hij werd ook parlementslid, en nochtans was een politieke rol niet zijn oorspronkelijke bedoeling, want hij was naar Londen gekomen om zijn geluk te beproeven als schrijver en essayist, niet eens als jurist.
En dat lukte hem bijzonder goed want nog voor zijn dertigste verwierf hij grote faam met A philosophical Enquiry into the Origin of our Ideas on the Sublime and the Beautiful. Mooi en subliem, je hoort al dat dit essay niet over politiek gaat.
In de besloten Literary Club van Doctor Johnson, de beroemde auteur en lexicograaf, werd hij met open armen ontvangen. Dat was een heel select gezelschap – van literatoren uiteraard, zoals bijvoorbeeld Oliver Goldsmith (nog bekend van The Vicar of Wakefield), maar er waren ook schilders als Joshua Reynolds, de Corsicaanse generaal Paoli, een Shakespeare-acteur enzovoort.
Mannen allemaal, dat spreekt, geen vrouwen: we zijn in Londen, niet in Parijs.
Burke was aangenaam gezelschap, en zijn conversatie vaak grappig. En hij wist ook zijn tegenstanders te waarderen. De schrijfstijl van Voltaire bijvoorbeeld, die in zowat elk opzicht zijn tegenbeeld was, die stijl beoordeelde hij gunstig: ‘Niemand heeft ooit blasfemie en obsceniteit zo mooi samengebracht.’ En Johnson zelf, zo lezen we bij diens biograaf Boswell, zei over Burke dat – als iemand samen met hem nog maar vijf minuten onder een afdakje voor de regen zou staan schuilen, hij al overtuigd zou zijn dat hij nooit in zijn leven een interessantere man had ontmoet. Dr. Johnson stond er niet om bekend dat hij veel complimenten uitdeelde, maar van Burke zei hij nog dat die de enige man was waarbij hij in discussies altijd op de tippen van zijn tenen moest staan.
Politiek was Burke een Whig, een liberaal, en in het Parlement noemden vriend hem vijand hem de beste spreker. Hij verdedigde daar de Amerikaanse kolonisten, hij vond de Indië-politiek van de regering onmenselijk, hij kantte zich tegen de slavernij enzovoort. Allemaal standpunten die tegenwoordig niet meteen voor conservatief doorgaan. Wel was hij overtuigd dat er een erfelijke monarchie moest blijven bestaan. Van een goddelijk recht op de troon wilde hij nochtans niet horen, en evenmin van goddelijk of kerkelijk rechtsgezag. Zowel monarchie als wet en kerk waren namelijk menselijke instellingen.
Zijn beroemdste boek vandaag is natuurlijk Reflections on the Revolution in France, en daarin zegt hij dat de Franse monarchie en de adel zich te buiten gingen aan excessen. Er kunnen omstandigheden zijn die ‘een gematigde weerstand, laten we zeggen een civiele of wettelijke weerstand rechtvaardigen’. Hervormingen waren nodig in Frankrijk, maar die hervormingen moesten geleidelijk tot stand komen. Zijn grondhouding definieert hijzelf als ‘anti-jacobinisme’. In Europa en Amerika waren vele intellectuele grootheden enthousiast over de revolutie, Franklin, Jefferson, Goethe, Schiller, Kant. Al bekoelde hun geestdrift snel. In Engeland waren de dichters Coleridge en Wordsworth de revolutie aanvankelijk ook genegen, evenals zijn partijgenoot Charles James Fox, eerste minister – er bestond bij de Whigs blijkbaar een tendensrecht.
Niet zo Burke dus, die zoals gezegd de weg der geleidelijkheid verkoos boven revolutie, en die de gruwelen voorzag die nog zouden volgen, evenals trouwens de militaire dictatuur. Hij geloofde dat een revolutie in een uur meer kon afbreken, dan wat in een eeuw was opgebouwd.
Burke heeft grote invloed uitgeoefend op latere denkers. De belangrijkste onder hen is wel de diplomaat Joseph de Maistre, die een generatie na hem kwam en in Sint-Petersburg zijn standplaats had, als ambassadeur van het koninkrijk van Sardinië. Maistre noemde Burke «l’admirable Burke», en als die zegt dat er in het politiek bedrijf geen abstracte ‘metafysische’ regels kunnen gelden, maar dat de traditie haar rechten heeft, dan treedt Maistre hem volmondig bij. Traditie kan enkel gezag hebben als de pure rede haar limieten erkent, een gedachte die heel centraal staat ook bij Burke. Maistre schrijft dat hervormingen nooit mogen vertrekken vanuit ideale stelsels, «des théories idéales», maar moeten uitgaan van de verborgen, interne eigenschappen van een samenleving, zoals die in de loop der tijden zijn gegroeid, «par le bon sens antique et l’instinct machinal de chaque peuple». Ook dit kon uit de pen van Burke zijn gekomen. Al volgt Maistre Burke niet altijd: als katholiek veroordeelt hij bijvoorbeeld de Glorious Revolution die met haar protestantse vrijheid Engeland veel heeft gekost, en met name het ware geloof, «la foi, c’est-à-dire tout».
Nu wil ik tot slot nog iets zeggen over het vertalen zelf, maar dat kunt u ook in het boek lezen in mijn verantwoording daar. Ik citeer even William Hazlitt, een schitterende essayist en stilist die Burke bewonderde, al verwierp hij veel van zijn denkbeelden. In 1807, dus vijftien jaar na Burkes dood schreef die:
‘Hij is de meest poëtische van onze prozaschrijvers, en tegelijk ontaardt zijn proza nooit in de pure verwijfdheid van poëzie. Altijd is het zijn betrachting te overweldigen, eerder dan te behagen, en bijgevolg offert hij schoonheid en verfijning op aan kracht en bezieling. Altijd staat hem een taak voor ogen, een precies plan dat hij wil uitvoeren, een effect dat hij wil bereiken. Zijn enige bedoeling is het dus om hard te slaan, en op de juiste plek. Als de slag zijn doel mist, slaat hij opnieuw. En het maakt hem niet uit hoe onelegant zijn acties zijn, of hoe stuntelig zijn techniek, als de tegenstander maar neergaat.’
Dat maakt de vertaling niet makkelijker natuurlijk, want die stijl moet naar best vermogen bewaard blijven. En de betekenis van woorden verschuift, zodat het uitkijken is voor false friends.
Als Burke zijn tegenstanders ‘subtle’ noemt, dan bedoelt hij ‘giftig’, niet ons ‘subtiel’. ‘Green’ moet soms begrepen worden als ‘ziekelijk’, niet bijvoorbeeld als ‘groen, onervaren’. Ook een begrip als ‘metaphysic’ laat zich bij hem vaak niet letterlijk nemen. ‘Fond’ is niet ‘verzot op, verliefd’, maar ‘blind’, zoals in blind vertrouwen, ‘fond trust’‘Affection’ is een attribuut, een eigenschap, niet ons ‘affect’. Er zijn talloze voorbeelden. Burke gebruikt ook graag nieuwe wetenschappelijke termen, uit de natuurkunde of scheikunde, en ook die termen en wendingen moeten in de context van zijn tijd begrepen worden. Een microscoop heette toen nog a philosophical instrument.
Tot slot nog een woord van een schitterende editor, wijlen Frank Turner van Yale University. Die maakte in de inleiding bij zijn uitgave van de Reflections een mooie opmerking: ‘Het is omdat Burke zo sterk een man van de Verlichting was, dat hij zo hartsgrondig en passioneel een veroordeling kon uitspreken over de vervorming ervan tot het koppige utopisme van de revolutionaire tijd. In zovele passages van de Reflections is de lezer getuige van een minnetwist.’
Ik mag u hierbij danken en ruim graag de plaats voor Karl, die de volgende spreker zal voorstellen.

Marc Vanfraechem

6 mei 2017

De journalistieke noodgreep "fake news" is futiel


Escalus
Mon ami, vous m’avez l’air d’être un peu misanthrope et envieux?
(Goede vriend, u bent lijkt me wat misantroop en afgunstig?)
Mercutio
J’ai vu de trop bonne heure la beauté parfaite.
(Al te vroeg heb ik de volmaakte schoonheid gezien.)
Shakespeare

Dit is het motto dat Stendhal meegaf aan zijn «Promenades dans Rome» (Gallimard, 1973, Folio Classique. Ingeleid door Michel Crouzet, en bezorgd en geannoteerd door Victor Del Litto).

Nu is Del Litto een van de grote stendhaliens, een monument op zich mag je zeggen, en hij geeft hierbij een noot (p. 648): “Tevergeefs heeft men in de werken van Shakespeare naar dit citaat gezocht. Het is van Stendhals eigen hand.”

En natuurlijk heeft Vittorio Del Litto gelijk, dat kunnen wij leken niet eens nagaan, maar dat doet er niets aan af: het blijft een geweldige uitspraak van Shakespeare, door Stendhal aanbeden.

3 mei 2017

Woorden veranderen snel van betekenis


De term “jongeren” is al vele jaren iets anders gaan betekenen dan wat je intuïtief, of naïefweg zou verstaan. De betekenisverschuiving is er gekomen door het scheve en hypocriete journalistieke gebruik van die term.
Nu zijn betekenisverschuivingen van alle tijden, alleen ging het hier wel erg snel. Hetzelfde met een woord als “vriend” bijvoorbeeld. Wie dat tegenwoordig gebruikt, moet goed uitkijken want zonder contextuele, of liefst zelfs expliciete verduidelijking zal de toehoorder “homoseksuele partner” verstaan. Om onduidelijkheid te vermijden zouden we voor gewone vrienden dus een ander woord moeten verzinnen.

Met die “jongeren” is dat ook het geval, want wie nu in het radionieuws die omschrijving hoort, begrijpt onmiddellijk en ondubbelzinnig dat er jonge moslims bedoeld worden die in groepsverband enig crimineel gedrag hebben vertoond. Soms kunnen die jongeren wel dertig jaar oud zijn, want journalistiek gesproken bezitten zij het geheim van de eeuwige jeugd.

Wanneer die substantivering van het bijvoeglijk naamwoord “jong” is doorgebroken weet ik niet te vinden in bijvoorbeeld van Dale. In het Frans is dat al een tijd geleden gebeurd, en wel door toedoen van de beruchte rassentheoreticus Arthur de Gobineau. Dat lees ik toch bij Charles Dantzig (Dictionnaire égoïste de la littérature française – Grasset 2005, p. 409): Dans ‘La Chasse au caribou’ il substantive l’adjectif ‘jeune’ («Une demi-douzaine de jeunes l’entoura»), son premier emploi dans ce sens peut-être.
Nu wordt dat laatste tegengesproken door Le Robert, want die geeft: "Pour le jeune ou pour le barbon, À tout âge l'amour est bon", een vers van Molière, en dus een stuk ouder dan La Chasse au caribou dat in 1872 verscheen. Ik vraag mij af of onze jongeren even oud zijn.

26 april 2017

Macron wast witter


Mooi interview gisteren met de filosoof Michel Onfray, in "On va plus loin" van RTL. Hieronder de laatste minuut:

Michel Onfray:…op een bepaald moment kom je ertoe te zeggen: “Wel, tenslotte schiet enkel die nog over.” Waar lijkt dat nog op, heel die ommezwaai die mensen vandaag maken en zeggen: “Maar nee, wij stemmen niet voor Macron, wij zullen tegen Marine Le Pen stemmen!” Ja, maar als puntje bij paaltje komt zijn zij toch verplicht hun stem te geven aan iemand die gekozen is door zijn adviesbureaus, waar men redeneert: “Er zijn eenmaal segmenten, en die moeten opgevrijd worden.” En dus zegt men op een dag: “Een Franse cultuur, dat bestaat niet”. Een andere keer gaat men naar Algerije en spreekt er over genocide. Nog weer een keer looft men het achtereind van het paard van Jeanne d’Arc…
Sonia Mabrouk: Contradicties bij politiek verantwoordelijken zijn geen nieuwigheid.
Michel Onfray: Nee, nee, maar keer op keer heb je dan een sector, een segment van de maatschappij binnengehaald, en als je aardig bent geweest voor Jeanne d’Arc, en als je aardig bent geweest voor generaal de Gaulle, en aardig voor François Mitterrand, en als je, in Algerije bijvoorbeeld aardig bent geweest voor het FLN, en als je gezegd hebt dat er geen Franse cultuur bestaat, en zo de onderontwikkelden hebt weten te verleiden – toch een pak mensen – wel, dan komt er een moment waarop iedereen enkel nog dat hoort wat hem persoonlijk heeft aangesproken, en besluit: “Kijk dát, dat zie ik wel zitten! en het personage zelf… laten we de rest terzijde, ik stem voor hem.” En ziedaar waarom er mensen zijn zoals Robert Hue [nationaal secretaris van de Communistische Partij (1994-2001) als opvolger van secretarisgeneraal Georges Marchais], die dit individu steunen, dat ook steun krijgt van Alain Madelin [liberaal, drie keer minister]. Het is toch een krachttoer om een communicatiecampagne te laten lukken die maakt dat je op een dag, en als het ware toevallig dát toestel wilt kopen, die telefoon, die auto, weet ik veel. Op zekere dag is alles volgens de logica van de reclamewereld in gereedheid gebracht zodat op het moment dat je waspoeder nodig hebt, je het poeder Macron zult kopen.



Michel Onfray: …puis à un moment donné, vous finissez par dire : eh bien, finalement il ne reste plus que celui-là. Regardez à quoi ça ressemble aujourd’hui toute la palinodie de gens qui disent : «Mais non on ne va pas voter pour Macron, on va voter contre Marine Le Pen !» Oui, mais en gros ils sont bien obligés de voter pour celui qui a été choisi par ses cabinets de consultation, où on se dit : «Voilà il y a des segments, il va falloir draguer ceux-là.» Alors là un jour on dit : il n’y pas de culture française. Des fois on va en Algérie, et on va parler du génocide, une autre fois on flatter la croupe du cheval de Jeanne d’Arc…
Sonia Mabrouk: Les contradictions des responsables politiques, c’est pas nouveau.
Michel Onfray: Non, non mais à chaque fois vous avez emmagasiné …un secteur, un segment de la société, et quand vous avez dit du bien de Jeanne d’Arc, quand vous avez dit du bien du général de Gaulle, quand vous avez dit du bien de François Mitterrand, quand vous avez dit du bien des, des... du FLN par exemple en Algérie, quand vous avez dit qu’il n’y avait pas de culture française, et que vous avez séduit tous les incultes – ça fait du monde – et bien, il y a un moment donné où chacun n’entend que ce qui lui a été dit personnellement, et dit : «Mais ça, ça me va! et ce personnage… on va laisser de côté le reste, finalement je vais voter pour lui.» Voilà pourquoi on a des gens comme Robert Hue qui soutiennent cet individu, qui est aussi soutenu par Alain Madelin, donc c’est quand même un coup de force de réussir un programme de com, ce qui fait qu’un jour, comme par hasard, vous allez acheter cet instrument, ce téléphone, cette voiture, je ne sais quoi. Un jour tout est fait dans la logique publicitaire, pour que le jour où vous ayez besoin d’une lessive, vous achetez la lessive Macron.

25 april 2017

In de zoete schaduw van miljonairs


Nu zowel socialisten en groenen als liberalen en christelijken enthousiast zijn over Macron (ik hoorde hen online bezig) en zich wel voelen in de schaduw van Rothschild, is het misschien een goed moment om Heinrich Heine nog eens aan te halen.
In Die Bäder von Lucca [1829, Kapitel VIII] had de dichter een gesprekje met een barbier, die hem vertelde dat hij ooit nog de eer had gehad om de eksterogen van de bankier Rothschild te mogen wegsnijden: Und so wahr wie mir Gott alles Guts geben soll, Herr Doktor, ich saß neben Salomon Rothschild, und er behandelte mich ganz wie seinesgleichen, ganz famillionär.
Salomon Mayer, Freiherr von Rothschild (1774-1855) was de chef van het Weense bankfiliaal; hij leefde afwisselend in Wenen, Frankfort en Parijs. In Parijs nodigde hij Heine vaak uit op diners bij hem thuis, ook al dreef de dichter dan vaak de spot met hem. Hemzelf kon dat niet deren, hij had wel gevoel voor humor, en de andere gasten vergaven het hem niet als hij Heine niét uitnodigde. Overigens was diens oom, Salomon Heine ook bankier (in Hamburg), en na Rothschild de rijkste man van Duitsland.

Heine weet nog wel meer dat de Vlaamse supporters van Macron zal plezieren:
Herr von Rothschild ist in der Tat der beste politische Thermometer; ich will nicht sagen Wetterfrosch, weil das Wort nicht hinlänglich respektvoll klänge. Und man muß doch Respekt vor diesem Manne haben, sei es auch nur wegen des Respektes, den er den meisten Leuten einflößt. Ich besuche ihn am liebsten in den Bureaux seines Comptoirs, wo ich als Philosoph beobachten kann, wie sich das Volk, und nicht bloß das Volk Gottes, sondern auch alle andern Völker, vor ihm beugen und bücken. Das ist ein Krümmen und Winden des Rückgrats, wie es selbst dem besten Akrobaten schwerfiele. Ich sah Leute, die, wenn sie dem großen Baron nahten, zusammenzuckten, als berührten sie eine voltaische Säule. Schon vor der Tür seines Kabinetts ergreift viele ein Schauer der Ehrfurcht, wie ihn einst Moses auf dem Horeb empfunden, als er merkte, daß er auf dem heiligen Boden stand. […]
Das Comptoir des Herrn von Rothschild ist sehr weitläufig, ein Labyrinth von Sälen, eine Kaserne des Reichtums; das Zimmer, wo der Baron von Morgen bis Abend arbeitet – er hat ja nichts andres zu tun als zu arbeiten –, ist jüngst sehr verschönert worden. Auf dem Kamin steht jetzt die Marmorbüste des Kaisers Franz von Österreich, mit welchem das Haus Rothschild die meisten Geschäfte gemacht hat. Der Herr Baron will überhaupt aus Pietät die Büsten von allen europäischen Fürsten anfertigen lassen, die durch sein Haus ihre Anleihen gemacht, und diese Sammlung von Marmorbüsten wird eine Walhalla bilden, die weit großartiger sein dürfte als die Regensburger.
Lutetia. Berichte über Politik, Kunst und Volksleben [1853]



En ook uit het volgende kan een jonge snaak als Calvo, maar niet minder zijn wat oudere collega's lering trekken:
Aber – um Frankfurtisch zu sprechen – stehen die Rothschilde und die Bethmänner* nicht längst al pari? Der Kaufmann hat in der ganzen Welt dieselbe Religion. Sein Comptoir ist seine Kirche, sein Schreibpult ist sein Betstuhl, sein Memorial ist seine Bibel, sein Waarenlager ist sein Allerheiligstes, die Börsenglocke ist seine Betglocke, sein Gold ist sein Gott, der Kredit ist sein Glauben.
Briefe aus Berlin. [1822, Lesarten]



__________


* Bethmann Bank AG, gesticht in 1748 door Johann Bethmann. Vandaag deel van ABN AMRO Bank.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html