14 november 2017

Vive le Roi! Leve de Koning! (Es lebe der König!)


In het Frans wordt dat bij gelegenheid wel geroepen, maar in het Nederlands hoor je die kreet zo goed als nooit. Daarvoor zou iemand al tegen betaling een aantal dames moeten inhuren. Pour de l’argent, douze ou quinze femmes, zoals Kardinaal de Retz dat in zijn Mémoires schrijft, of – zoals hier wel eens voorkomt – hij zou een hoop schoolkinderen moeten optrommelen.

Van zulke vertoningen denkt Retz het zijne: …la cour prit ou déclara la résolution de revenir à Paris. Elle y fut reçue comme les rois l’ont toujours été et le seront toujours, c’est-à-dire avec acclamations qui ne signifient rien, que pour ceux qui prennent plaisir à se flatter.

…het hof had het voornemen opgevat, of maakte toch bekend dat het naar Parijs zou terugkeren. Het werd er ontvangen zoals koningen dat altijd worden en altijd zullen worden, dat wil zeggen met toejuichingen die niets voorstellen, behalve voor wie zich graag in zelfgenoegzaamheid wentelen.

Maar kom, laten we onze Retz op de naamdag van Leopold het plezier niet bederven in Laken, waar ze tegelijk ook een weddeverhoging te vieren hebben.


12 november 2017

Geen politieke gevangenen in Europa!


Ter ondersteuning van de politieke gevangenen in Spanje was er vanmiddag in het Jubelpark in Brussel een kleurige manifestatie. Veel Catalaanse vlaggen natuurlijk, maar ook Waalse, Vlaamse, Letse enzovoort. Belgische of Spaanse vlaggen heb ik niet gezien, en ook geen EU-vlaggen. Iets van vijfhonderd man was er, sommigen zeggen zevenhonderd. En er waren ook vier of vijf tv-ploegen. De ZDF zag ik, RTL ook (misschien om Juncker een plezier te doen), nog enkele andere maar ik stond te ver om die thuis te brengen.

Omdat ik geen professionele fotograaf ben, lezer, moet u zich tevredenstellen zonder vogelperspectief. U mag tenslotte niet te veeleisend zijn: onze kranten en tv-zenders getroosten zich ook nooit de moeite van een overzichtsbeeld als het om bijvoorbeeld een tous-ensemble-betoging gaat, of iets moois van die aard.

De toespraken (van onder meer drie Catalaanse ministers) waren in het Engels, Nederlands en Frans, maar grotendeels toch in het Catalaans. En al ken ik die taal niet, termen die vaak terugkwamen, zoals vrijheid, prison, onafhankelijkheid en democratie verstond ik toch. Persoonsnamen stelden geen probleem, Franco bijvoorbeeld, of Juncker – je zou al bezopen moeten zijn om die zijn naam niet te verstaan.

Vlak na de laatste toespraak, nog tijdens het zingen, begon het te hagelen terwijl daarvoor de zon had geschenen. De weergoden hadden goed opgelet, maar het kan ook toeval zijn geweest.

Ook toevallig was dat ik, nog op weg naar Brussel, in de trein in een klein boekje zat te lezen, een bloemlezing uit de geschriften van de Prince de Ligne (De Fleur en Fleur, Lausanne, La Guilde du Livre, 1964, pp. 77-8), en daar iets zag waar ik direct een potloodstreepje bijzette.

À la guerre, en politique et en amour, si l’on manque le moment, il ne se retrouve plus. Tant pis pour l’Europe, qui est une vieille coquine qui a perdu ses règles!
Als men in de oorlog, in de politiek en in de liefde het juiste moment mist, dan komt die kans niet weer. Helaas voor Europa, die oude lichtekooi die haar regels niet meer heeft.

Ja, de EU heeft eerst met haar zwijgen en daarna met haar medeplichtigheid en minachting voor de democratie haar eigen doodvonnis getekend.

6 november 2017

Journalistiek met een echt gezicht


Het gaat goed met Le Monde diplomatique, en directeur Serge Halimi kan schitterende cijfers voorleggen. Hij deed dat ook, onder de titel: Appeler une victoire par son nom. Het gaat om echte cijfers, abonnementen (90.456 in december 2016), gedrukte exemplaren (gemidddeld 156.586 in 2016), digitale abonnementen op hun archief (35.417 eind september 2017) enzovoort. Geloofwaardige cijfers dus, geen clicks of fantasietjes zoals we die hier kennen. Ze hebben natuurlijk een groot taalgebied.

Dat blad lees ik al langer dan van gisteren en hun zeven euro betaal ik elke maand graag. Oneens kun je het zijn, maar je wordt nooit gedegouteerd. Eigenlijk ken ik geen blad dat ermee te vergelijken is. Het is gedistingeerd. Er staan geen foto's in, en geen reclame – of het moest zijn voor een boek waar je geen zin in hebt, of voor een moeilijke intellectuele film die je niet zult gaan zien. Je wordt als lezer dus niet beledigd.
Zij kunnen het zich bijgevolg veroorloven om de gewone krantenboeren en hun journalisten op de korrel te nemen. Daarom vertaal ik een grappig stukje uit het artikel van Halimi:

Tegen de reëel bestaande journalistiek* heeft Le Monde diplomatique niet enkel de akte van beschuldiging opgesteld (kapitalistische concentratie, pensée unique, ingekapselde burgerlijkheid, verstandhouding en zelfvoldaanheid). Wij hebben er ook een andere professionele praktijk tegenovergesteld. Onze kritiek ten laste van de journalistiek, die elke maand te lezen staat, beperkt zich niet tot de verwerping van de liberale en Europese insteek van zo goed als alle media. Want onze “confraters” hebben het op den duur begrepen: het diskrediet dat rust op de lompe politicus die zijn voorgekauwde lesje opzegt, tast de reputatie aan – en bijgevolg de marktwaarde – van de pers die hem als zijn buikspreker begeleidt.
De hoofdredacties hebben dan besloten om een nieuwe beroepskracht naar voren te schuiven, die wij evenzeer verwerpen, namelijk die van de neutrale reporter, zonder ideologie, “de ontcijferaar”, “de geheimschriftlezer” aan wie men niets wijsmaakt, die van de ene overtuiging naar de andere fladdert en voorgeeft zich nooit te engageren.
Zijn vakkundigheid bestaat erin “kleine, echte feitjes” uit te zoeken, en deze zonder commentaar te presenteren; en een voorkeur te hebben voor “dingen die hij gezien heeft” (zeker als ze aangrijpend zijn), eerder dan voor een beargumenteerde analyse van sociale of internationale verbanden; en in het uitbannen, uit het gebied van de informatie, van ideeën die extreem bevonden worden, terwijl tegelijk andere ideeën (te weten, de zijne) het alfa en omega van elk “debat” moeten worden. Op die manier moet het gezoem aanhouden, en is de fictie van het pluralisme veiliggesteld.
__________

* Halimi speelt natuurlijk met een eertijds vaste uitdrukking: die van het reëel bestaande communisme, dat evenwel hier en daar verschilde van het theoretische ideaalbeeld.

Denkt Spanje miljoenen Catalanen met geweld het zwijgen te kunnen opleggen?


Een gesprek met Jordi Savall
in Le Nouvel Observateur

In het conflict tussen de Spaanse regering en de Catalaanse independentisten, heeft de beroemde musicus de kant van de Catalaanse independentisten gekozen.
Hij legt ons uit waarom.

Sarah Halifa-LegrandWat is uw gevoel vandaag bij de zware crisis waar Catalonië doorgaat?
Ik ben heel triest. Vorige zondag heeft Madrid ons veertig jaar achteruitgezet. Ik denk dat hun reactie een heel zware breuk heeft veroorzaakt tussen de Spaanse regering en Catalonië. Ik verzeker u dat Catalonië nooit nog zal zijn zoals voorheen. En laat men dan nog alle mogelijke argumenten tegen het illegale referendum aanvoeren, bejaarde vrouwen over de grond sleuren, weerloze burgers met een dergelijke brutaliteit behandelen is absoluut onverdedigbaar.
Dit geweldsvertoon brengt aan het licht dat de Spaanse regering totaal niet in staat is om verschillen te accepteren, om te accepteren dat men het gevoel zou hebben tot een andere cultuur te behoren. De Spaanse staat ontkent de realiteit. Hij weigert te zien dat er een probleem is. Hij miskent ons. Hij spreekt niet met de Catalanen. Hij spreekt enkel tot de rest van de Spanjaarden.
Draagt niet ook de independentistische regering een deel van de verantwoordelijkheid bij deze escalatie?
Elke partij is deels verantwoordelijk. Maar wat begin je als de gesprekspartner met wie je wil onderhandelen obstinaat de discussie weigert? De Catalaanse president en de burgemeester van Barcelona hebben een brief gestuurd aan mijnheer Rajoy waarin ze om een gesprek vroegen; ze kregen nooit antwoord. Hoe zo’n probleem dan oplossen? Een politieke oplossing heeft Rajoy nooit nagestreefd, enkel gerechtelijke oplossingen. Zijn enige antwoord is een beroep op de wet. Maar als wij de wet altijd hadden gerespecteerd, dan waren de slaven nog altijd slaven, konden de vrouwen nog altijd niet stemmen, en hadden de arbeiders geen rechten. Wetten zijn niet altijd rechtvaardig, en de samenleving heeft ze altijd laten evolueren om ze aangepast te maken. Je kunt onmogelijk de wet inroepen als zijnde iets onveranderlijks.
Hoe verklaart u dat de Spaanse regering op die manier elke dialoog weigert?
De Spaanse regeringsleider Mariano Rajoy blijft op de strakke lijn van de franquistische ideologie die berustte op de constructie van een Spanje als ‘una, grande y libre’. Die heeft ons naar de burgeroorlog geleid. In naam van hetzelfde principe had hij voor het Grondwettelijk Hof het nieuwe statuut van Catalonië al betwist, ‘el Estatut’, dat een uitbreiding van de autonomie voorzag, ook al was dat per referendum door de Catalanen goedgekeurd, en in 2006 aangenomen door het Catalaans Parlement, het Congres van Afgevaardigden en de Cortes. En nochtans betrof het hier slechts een actualisering van het autonomiestatuut dat de grondwet van 1978 ons had toegekend.
In 2006 vroegen de Catalanen geen onafhankelijkheid. Ze vroegen enkel erkenning als natie. Maar het Grondwettelijk Hof zei nee, Catalonië is geen natie, en een Catalaanse burger is dus onbestaand. Het is niet Catalonië dat het kader voor gesprekken met Spanje heeft afgebroken, dat is Madrid.
Daarom, omdat de Spaanse regering niet in staat was om onze verschillen te accepteren, hebben wij gevraagd daarover te mogen stemmen. Wij wilden enkel weten hoeveel mensen onder die voorwaarden bij Spanje wilden blijven, en hoeveel er een ander statuut wensten. Meten dus welke gevoelens van aanhankelijkheid of scheiding er leefden. In alle democratieën zijn er mensen die verschillend denken. Opinies mag men niet criminaliseren. In Catalonië zijn er mensen die rechts denken, en mensen die links denken, mensen die denken dat wij beter af zouden zijn in een vrij Catalonië, en mensen die vinden dat het beter is bij Spanje te blijven. Wat is er zo verkeerd aan om te willen nagaan wat een volk denkt?
Weet u, aanvankelijk wás ik geen independentist. Ik ben een muzikant die zich goed voelt in alle steden van de wereld waar muziek gemaakt wordt. Maar de weigering om respect op te brengen voor de gehechtheid van mensen aan hun eigen cultuur, die weigering om hen te laten uitdrukken wat zij voelen, heeft me doen aansluiten bij deze strekking. Ik vind die absolute onbuigzaamheid, en wat ze teweegbrengt onaanvaardbaar. Denkt Spanje miljoenen Catalanen met geweld het zwijgen te kunnen opleggen?
Waarom voelen de Catalanen zo sterk de noodzaak om hun gehechtheid aan hun cultuur op te eisen?
Deze beweging in Catalonië vraagt dat er naar de mensen zelf geluisterd wordt, en dat men hen in de politiek weer een centrale plaats geeft. Staten zijn politieke constructies. Mensen echter maken deel uit van een cultuur. Luister naar ons: wij willen leven in een Europa dat alle culturen respecteert, alle talen, alle levenswijzen. Dat is wat geschreven staat in de Europese grondwet. Het grote probleem is dat naar ons gevoel wij geen plaats hebben in Spanje. Ik houd van Spanje, ik voel me goed op veel plekken van dat land, ik houd van de Spaanse cultuur. Maar ik zou graag hebben dat ook wij erkend werden, dat ook wij respect kregen. En dat is niet het geval.
Stelt u zich dat voor: een Spaanse minister van Onderwijs die oproept om de jonge Catalanen te hispaniseren. Toen ik nog een kind was, werd ik op school verplicht Castiliaans te spreken. Op mijn geboortebewijs moest men ‘Jorge’ schrijven en niet ‘Jordi’, want een Catalaanse naam dragen was verboden. Met de overgang naar de democratie verkregen we eindelijk dat elementaire recht. Maar je merkt duidelijk dat Spanje het nog altijd niet kan verdragen dat wij onze verschillen laten gelden.
De Catalaanse taal is even oud als het Frans. Ze gaat terug op de langue d'Oc, de taal van de troubadours. En nochtans mag men ze niet gebruiken in het Spaanse parlement, en zelfs niet in de Catalaanse rechtbanken, waar men zich in het Castiliaans moet uitdrukken. 
Wij maken deel uit van een natie met een zeer oude cultuur. En wij vragen dat men hiervoor respect opbrengt. Dit is geen kwestie van populisme of van geld, zoals men wel eens hoort. Het gaat om waardigheid en erkenning.
Bent u, gezien de impasse waarin Catalonië zich bevindt, er voorstander van dat de Catalaanse regering unilateraal de onafhankelijkheid uitroept, met als risico heel Spanje in het onbekende te dompelen?
Ik zal u antwoorden met een andere vraag: wat valt er te beginnen als er aan de andere kant een autoritaire barrière staat? Wat kan de Catalaanse regering ondernemen? Beeldt u zich in dat Spanje en Catalonië een echtpaar zijn. Denkt u dat een koppel een manier van samenleven zal vinden, als ze er zelfs niet meer in slagen met elkaar te praten? Wat heeft de Engelse regering gedaan toen de Schotten hun onafhankelijkheid wensten? Ze heeft hen niet onderdrukt, maar hen gezegd: ‘Ga niet weg, wij zullen jullie voorstellen doen zodat jullie zich beter voelen bij ons.’ In Spanje heeft men geantwoord met de dreiging ons in de gevangenis op te sluiten, en vervolgens heeft men een politiemacht op ons afgestuurd. Het enige wat ons nog overblijft is zeggen: aangezien wij geen dialoog kunnen hebben, nemen wij de moeilijkste weg, ook al is dat niet de weg die wij hadden willen inslaan.
Wat er nu zal komen weet ik niet. Ik denk dat een oplossing enkel dan te vinden is, als er een bemiddelaar komt die aan Spanje vraagt een stoel te nemen en de discussie aan te gaan. Europa had die rol al lang op zich moeten nemen.* Dat het de ogen sluit begrijp ik niet. Misschien is dat omdat het in handen is van partijen die voor het merendeel rechts zijn, en geen oren hebben naar aanspraken zoals die hier worden aangebracht.
Helaas zie ik dat in Frankrijk Emmanuel Macron evenmin bijzonder gevoelig is voor kwesties als deze, om de evidente reden dat het jakobijnse Frankrijk zelf, op zijn eigen grondgebied de verschillende bestaande culturen heeft willen verstikken en verfransen. Maar als Europa niet tussenkomt, maakt het een zeer zware fout.
________

* Savall bedoelt hier waarschijnlijk enkel de EU.

4 november 2017

Een eervol standpunt


Marc Uyttendaele, professor constitutioneel recht aan de ULB, schreef in Le Soir een interessant artikel, en ik vertaal daaruit een tweetal alinea's. Een politiek standpunt als het zijne verscheen er nog niet in de Vlaamse pers, of zeker niet in even duidelijke termen. Van Vlaamse politici, op enkelen na, hoorden we zelfs heel andere geluiden. Denken we maar aan al het stoers dat Kristiaan Peeters, die zich waarschijnlijk voor een soort filmheld houdt, allemaal meende te moeten afscheiden op Twitter en aanverwanten.
Liever dus een wat perfide PS-man aan het woord laten dan een CD&V'er of sp.a'er:

In plaats van zich eenvoudigweg op het democratische spel te verlaten, op de verkiezing van een wetgevende vergadering, op een onafhankelijkheidsreferendum dat deze keer met de waarborg van de rechtsstaat zou plaatshebben, stemt mijnheer Rajoy in met de criminalisering van de tegenstander, en dus met een aloude totalitaire methode. Een methode die te allen tijde door alle dictaturen is aangewend, en ook een methode die belet om vandaag nog onderscheid te maken tussen de Turkse en de Spaanse regering.

Het zou de Belgische rechters – die morgen het Europese aanhoudingsbevel zullen zien dat tegen de heer Puigdemont afgeleverd werd – het zou hen tot eer strekken als zij zich aan het huidige klimaat wisten te onttrekken. Het zou hen tot eer strekken als zij zich de volgende eenvoudige vraag zouden stellen: stuurt men een opposant naar zijn land terug, die gevangen zal worden gezet met als enige reden dat hij een politieke strijd voert tegen de bestaande macht? Hopelijk zullen zij hun redeneringen op waarden en vrijheden laten steunen, en zich niet laten besmetten door hun eventuele antipathie voor het Vlaams-nationalisme.

28 oktober 2017

Een goede stielman vindt klanten bij de vleet


Vandaag bestaan er Latijnse vertalingen van Asterix, en van Kuifje ook meen ik. Misschien zijn er nog wel meer zulke lofwaardige pedagogische inspanningen geleverd. Zowel Kuifje als Asterix zijn echter prozawerken, en of het nu nog voorkomt weet ik niet maar vroeger werden ook gedichten vertaald, in Latijnse verzen. En omgekeerd werden klassieke gedichten naar de volkstalen vertaald.
Nu is het geen geheim dat moderne poëzie niet verkoopt, terwijl in vroegere tijden een goede dichter zich na enkele successen een statige woonst kon laten bouwen. Daar zijn voorbeelden van. Altijd echter hadden die mensen grote stielkennis in huis, precies omdat zij in hun leerjaren klassieke dichters hadden geïmiteerd, of in vers en rijm omgezet.

Genieën als John Dryden (1631-1700) of Alexander Pope (1688-1744) waren zulke vaklui. Mere poets and mere musicians are as sottish as mere drunkards are, who live in a continual mist, without seeing or judging anything clearly, vond Dryden. Zoals een muzikant eerst een instrument moet leren bespelen voor hij anderen lastigvalt, zo ook moet een dichter eerst de taal in zijn vingers krijgen. Wellicht doet het hem geen kwaad als hij eerst uitprobeert of hij rijm en metrum aankan, of zijn taalkennis daartoe al volstaat.

Pas in hun latere werken waagden de grote vakmannen zich aan vrije verzen, zoals Shakespeare het hen had voorgedaan. They discumbered themselves from rhyme. De kracht van hun blank verse komt dan voort uit rijmen die er niet meer staan, en de lezer of toehoorder beseft niet dat ze ontbreken.
Wie echter begint met het neerschrijven, in interpunctieloze kolommetjes, van losse diepzinnigheden en poëtische gevoeligheden, zo iemand mist die kracht, en zijn poëzie verkoopt bijgevolg niet want mensen zijn niet gek.
Over een rijmende dichter als bij ons Jean-Pierre Rawie doen vrije verzenjongens soms neerbuigend, misschien ook omdat zijn werk wél verkoopt. Dat het ook gewoon goed is, merken zij blijkbaar niet op.

Dryden vond dat het rijm obfuscation verhinderde – een term die je op zeven manieren kunt vertalen: vertroebeling, beneveling, wazigheid enzovoort. Hij preciseert dit met een beeld dat uit de vogeljacht komt: Since it bounds and circumscribes the fancy. For imagination in a poet is a faculty so wild and lawless, that, like a high-ranking spaniel, it must have clogs tied to it, lest it outrun the judgement. (opdracht bij The Rival Ladies, 1664)
Kluisters dus, om leeg geschreeuw te voorkomen.

Een verrassend effect van vakkundig rijm is nog dat het plaats bespaart!
Zekere William Dobson, van Oxford, had in 1634 grote faam verworven met een vertaling in Latijnse verzen van de Solomon van Matthew Prior – een werk dat wij nu niet meer hoeven te kennen, zeg ik maar – en Alexander Pope vroeg hem daarop of hij hetzelfde wilde doen met zijn Essay on Man – een werk dat onze aandachtige lectuur verdient.
Dobson begon aan die taak, maar staakte al snel zijn pogingen, on account of the impossibility of imitating its brevity in another language.
Dat is wel een opmerkelijke reden, want het Latijn staat juist bekend om zijn brevitas. Inderdaad had Alexander Pope voor de versvorm gekozen omdat die hem toeliet zijn gedachten korter uit te drukken dan mogelijk was in proza. Al vond hij in alle nederigheid dat Jonathan Swift daarin beter was dan hijzelf, want die kon:
                            …in one couplet fix
               As much sense as I can in six.


In zijn inleiding op An Essay on Man legt Pope alles duidelijk uit: This I might have done in prose, but I chose verse, and even rhyme, for two reasons. The one will appear obvious; that principles, maxims, or precepts so written, both strike the reader more strongly at first, and are more easily retained by him afterwards; the other may seem odd, but is true, I found I could express them more shortly this way than in prose itself; and nothing is more certain, than that much of the force as well as grace of arguments or instructions depends on their conciseness.

Dat Pope naast verbluffend taalvaardig – je wordt met verstomming geslagen – ook bijzonder grappig is, deed helaas een andere lievelingsdichter van me, namelijk Alfred Edward Housman van het wondermooie en berijmde A Shropshire Lad, nog in 1933 zeggen dat there was a whole age of English in which the place of poetry was usurped by something very different which possessed the specific name of wit.

Daarmee bevestigt hij in elk geval dat Pope grappig is, en Housman zei later ook andere dingen: possibly the most perfect long poem in the language, noemde hij diens The Rape of the Lock.

24 oktober 2017

Shakespeare als vulgair ventje


Van tijd tot tijd lees ik een beetje Shakespeare, meest in een uitgave van 1894 die ik prachtig vind, en soms in moderne uitgaven die van de jongste filologische inzichten voorzien zijn.
Scenische uitvoeringen heb ik ook wel eens gezien, maar niet vaak en lang geleden. Die verfilming destijds van Romeo en Julia vond ik mooi en De Getemde Feeks ook. En onlangs in de bioscoop, in high definition, zag ik een Londense opvoering van de Wintervertelling. Prachtig was dat, maar ja, Londen, en met acteurs die die teksten heel hun leven spelen en een onwezenlijke perfectie bereiken!

Zelf Shakespeare lezen is iets anders: je bent niet afgeleid door acteurs en hun interpretatie, ook al kan die, zoals in Londen, veel bijbrengen en je dingen laten zien die je niet zó, of zelfs niet had begrepen.
De taal van Shakespeare blijft altijd betoverend, maar de edele dictie van zulke acteurs mis je dan, en Shakespearedictie is een wetenschap op zich.
Hier een voorbeeld dat ik van het web plukte, en dat voor mij misschien iets té geacteerd klinkt:



Alarum. Enter RICHARD
RICHARD
A horse, a horse, my kingdom for a horse!
CATESBY
Withdraw, my lord. I’ll help you to a horse.
RICHARD
Slave, I have set my life upon a cast,
And I will stand the hazard of the die.
I think there be six Richmonds in the field;
Five have I slain today instead of him.
A horse, a horse, my kingdom for a horse!
Exeunt.

Natuurlijk, als we daar een vulgaire Vlaamse interpretatie naast leggen, gezegd met een vulgair dorps accent, en in een belachelijk vulgaire bewerking, dan is de keuze snel gemaakt.
Erg dat je als Klaraluisteraar, vlak voor of na een programma met de prachtigste muziek, zulke dingen als hieronder zo vaak en keihard in je maag gesplitst krijgt:

Klara: blijf verwonderd.
To hell and tell them there dat ik u zend, Risjaar modderfokker den Deirde.
Podiumbeest Tom Lanoye brengt scènes uit zijn beroemde Shakespearebewerking Ten Oorlog.
Zow speel ik veel persoanen imijn eentje.
Een auteur meet zich met zijn personages.
Man kroen! Wadda goddam fokke pis of kloetepeird!
Een productie van Behoud de Begeerte vanaf 25 oktober op tournee.
Alle info op Begeerte.be.
Samen met De Morgen, Humo en Klaaraaa.



Heel de metafoor van de dobbelsteen (die zes vlakken heeft, vertel ik er even bij ter lering van onze beroemde bewerker) is aan Tom Lanoye verloren gegaan.


20 oktober 2017

Een theoretische beschouwing


Bertram Wooster, dankzij Pelham Grenville Wodehouse bijna even bekend als zijn butler Jeeves, vertelt zijn belevenissen in de ik-persoon. In tegenstelling tot alwetende, auctoriale vertellers is Bertie dus zelf een deel van het verhaal.
Soms, en dat gebeurt maar heel zelden, richt Bertie zich tot zijn lezer en laat hem delen in de moeilijkheden die hij bij het schrijven ondervindt. Hier bijvoorbeeld in Thank you, Jeeves (1934):

Let me marshal my facts and go to it. […]
A thing I never know when I’m telling a story is how much scenery to bung in. I’ve asked one or two scriveners of my acquaintance, and their views differ. A fellow I met at a cocktail party in Bloomsbury said that he was all for describing kitchen sinks and frowsty bedrooms and squalor generally, but the beauties of Nature, no. Whereas, Freddie Oaker, of the Drones, who does tales of pure love for the weeklies under the pen-name of Alicia Seymour, once told me that he reckoned that flowery meadows in springtime alone were worth at least a hundred quid a year to him.
Personally, I’ve always rather barred long descriptions of the terrain, so I will be on the brief side. As I stood there that morning, what the eye rested on was the following. There was a nice little splash of garden, containing a bush, a tree, a couple of flower beds, a lily pond with a statue of a nude child with a bit of a tummy on him, and to the right a hedge.

Wat deze onvertaalbare, literatuurwetenschappelijke uiteenzetting zo grappig maakt, valt moeilijk te zeggen maar mochten er gegadigden zijn voor een mooie editie van Thank you, Jeeves: de afgebeelde uitgave wordt in de gespecialiseerde handel aangeboden voor 4,900 pond.
______

P.S. Dialoogjes anderzijds geven Bertram nooit problemen:

‘Feminine psychology is admittedly odd, sir. The poet Pope…’
‘Never mind about the poet Pope, Jeeves.’
‘No, sir.’
‘There are times when one wants to hear all about the poet Pope and times when one doesn’t.’
‘Very true, sir.’


10 oktober 2017

Een vrome tekst, nooit Nederlands vertaald...


Cardinal de Retz, Mémoires
Édition présentée et annotée par Michel Pernot, (2003)
Texte établi par Marie-Thérèse Hipp (1984)
2011, Gallimard, Folio classique, pp. 57-60

Staat u mij alstublieft toe dat ik enkele gedachten wijd aan de aard van de menselijke geest. Ik geloof niet dat er op aarde een beter hart heeft bestaan dan dat van mijn vader, en ik mag wel zeggen dat zijn inborst die van de deugd zelve was. Nochtans hebben noch mijn duels, noch mijn galante avonturen hem belet om alles in het werk te stellen om mijn ziel, misschien de minst kerkelijk gezinde op de hele aardbol, voor de Kerk in te nemen. Dat was een gevolg van zijn voorliefde voor zijn oudste zoon, en van het uitzicht op het aartsbisdom Parijs dat nu al onder zijn huis viel.* Hijzelf zag dat niet zo, en voelde het niet zo aan. Ik zou zelfs zweren dat hij uit het diepste van zijn hart zou gezworen hebben dat hij hiervoor geen enkele andere beweegreden had dan wat hem werd ingefluisterd door de vrees voor de gevaren die de andere carrière** voor mijn zielenheil inhield: zozeer is het waar dat niets sterker aan illusies onderhevig is dan de vroomheid. Allerlei dwalingen glippen onder haar sluier en verschuilen zich daar; allerlei hersenschimmen bekrachtigt ze, en zelfs de beste intenties volstaan niet om aan die bezwaren te ontsnappen.
Kortom, na alles wat ik u daarnet vertelde: ik bleef geestelijke. Maar zonder een incident waarvan ik u nu verslag zal doen, zou dat heel zeker niet voor lang zijn geweest.
De oudste van ons huis, hertog de Retz, verbrak in die dagen op bevel van de Koning het huwelijkscontract dat enkele jaren daarvoor was verleend aan hertog Mercœur, aangaande zijn dochter. De dag daarop al zocht hij mijn vader op en bezorgde hem een aangename verrassing toen hij zei dat hij besloten had haar aan zijn neef te vergeven, om zo het huis verenigd te houden.
Omdat ik nu wist dat zij een zus had die over een jaarrente van meer dan tachtigduizend pond beschikte, dacht ik op dat moment meteen aan de dubbele alliantie. Niet dat ik hoopte dat men daarbij aan mij zou denken, het terrein kennende zoals ik het kende, en ik nam het besluit om mezelf dan maar te helpen.
En omdat ik het lichte vermoeden had dat mijn vader niet van plan was mij mee te nemen naar het huwelijksfeest, misschien met het oog op wat daarvan kon komen, deed ik alsof ik mijn roeping met een milder oog bekeek. Ik veinsde getroffen te zijn door alles wat men mij in dit verband zo vaak had voorgespiegeld, en ik vertolkte mijn personage zo goed dat men geloofde dat ik helemaal omgeslagen was. Mijn vader besloot mij mee te nemen naar Bretagne, en deed dat des te gemakkelijker omdat ik niet de minste wens daartoe te kennen had gegeven.



We ontmoetten Mlle de Retz in Beaupréau, in Anjou. De oudste bekeek ik alsof het mijn zuster was; ik nam in de eerste plaats Mlle de Scépeaux (zo noemde men de jongste) in overweging als maîtresse. Ik vond haar zeer mooi, met de meest schitterende teint ter wereld, lelies en rozen in overvloed*** en aanbiddelijke ogen; een zeer mooie mond, iets te weinig taille, wat niet zo opviel en bovendien flink afgedekt was door het uitzicht op tachtig duizend pond aan renten, het vooruitzicht op het hertogdom Beaupréau, en door duizend droombeelden die ik me op deze basis voorstelde, en die wel reëel waren.
Ik wist mijn bedoelingen in het begin zeer goed te verbergen; ik had de gehele reis de devote ziel gespeeld en ging daarmee door tijdens het verblijf. Nochtans smachtte ik in het bijzijn van de schone; zij merkte dat; ik sprak dan, ze luisterde naar me, maar nam een wat strenge houding aan. Omdat ik gemerkt had dat zij extreem gesteld was op een oude kamerjuffer, zuster van een van de monniken van Buzay,**** liet ik niets onverlet om deze voor mij in te nemen, en ik slaagde daarin door middel van honderd pistolen, en door immense beloftes die ik haar deed. Ze wist haar meesteres in te prenten dat men aan niets anders dacht dan haar tot non te maken, en van mijn kant vertelde ik haar dat men aan niets anders dacht dan mij monnik te maken.
Zij haatte haar zuster vreselijk omdat haar vader die veel liever zag, en ik moest van mijn broer niet veel hebben om dezelfde reden. Die gelijkloop van onze lotsbestemmingen droeg veel bij tot onze band. Ik vergewiste me ervan dat hij wederzijds was, en besloot haar mee te nemen naar Holland. Niets was waarachtig gemakkelijker, want Machecoul, waar we vanuit Beaupréau naartoe waren gegaan, ligt amper een halve mijl*°° van de kust; maar voor die expeditie was geld nodig; en aangezien mijn reserves uitgeput waren door die gift van honderd pistolen, bezat ik geen duit meer.
Ik wist er toch voldoende te vinden, door mijn vader te verzekeren dat, aangezien het rentmeesterambt van mijn abdijen geacht werd met de grootste gestrengheid en naar de wet controle uit te oefenen, ik mij in geweten verplicht voelde de administratie ervan zelf op mij te nemen. Dat voorstel viel niet in goede aarde; maar men kon het ook niet afwijzen, omdat het zowel in de lijn der dingen lag, als omdat het hen op de een of andere manier liet denken dat ik tenminste mijn opbrengsten wilde veiligstellen, aangezien ik er de zorg voor wilde overnemen.
De dag daarop vertrok ik naar Buzay, dat maar vijf mijl van Machecoul ligt, om het pachtgeld op te halen.
Ik onderhandelde met een koopman in Nantes, Jucatières heette hij, die profiteerde van mijn overhaasting, en voor de vierduizend daalders contant die hij me gaf een zaak heeft gedaan die hem een fortuin heeft opgebracht. Ik dacht dat ik vier miljoen bezat. Ik stond op het punt mij van een van die Hollandse fluiten*°°° te verzekeren die in Retz altijd aan de kade liggen, toen er een ongeluk gebeurde dat al mijn maatregelen tenietdeed.
Mlle de Retz (want die naam had ze na het huwelijk van haar zuster aangenomen) had de mooiste ogen van de wereld; maar nooit waren ze mooier dan op de momenten dat ze wegstierven, en nooit heb ik er gezien aan welke het smachtende verlangen zoveel gratie verleende. Op een dag dat we bij een dame van de streek logeerden, op een mijl van Machecoul, en toen ze zich daar in de spiegel achter het bed**° stond te bekijken, liet ze alles zien wat de morbidezza**°° van de Italianen aan zachtheid, levendigheid en vertedering te bieden heeft. Maar het ongeluk wilde dat ze niet gemerkt had dat Palluau, die nadien maarschalk de Clérembault is geworden, die spiegel kon zien. Hij liet dat weten en aangezien hij zeer gehecht was aan Mme de Retz, met wie hij toen zij nog niet getrouwd was veel omgang had gehad, liet hij niet na aan haar getrouw verslag hiervan te doen, en mij verzekerde hij later zelfs dat wat hij gezien had geen origineel kon zijn. Mme de Retz, die haar zuster een dodelijke haat toedroeg, verwittigde nog dezelfde avond mijnheer haar vader van de zaak, en die liet niet na mijn vader hiervan op de hoogte te stellen.
De dag daarop was er post uit Parijs; men deed alsof men heel dringende brieven had gekregen, en we zegden de dames luchthartig en publiek adieu. Mijn vader nam mij mee naar Nantes om er te overnachten. Ik was, dat zult u begrijpen, zowel fel verrast als diep gekwetst. Ik wist niet waaraan ik de haast bij dat vertrek moest toeschrijven; mezelf kon ik geen enkele onvoorzichtigheid verwijten; ik had niet het minste vermoeden dat Palluau ook maar iets had kunnen zien. Ik begreep het wat beter in Orléans, waar mijn vader, beducht als hij was dat ik zou ontsnappen, wat ik voorbij Tours vergeefs ook enkele malen had geprobeerd, zich meester maakte van mijn koffertje waar mijn geld in zat. Door die manier van doen wist ik dat men mij doorzien had, en ik arriveerde in Parijs vervuld van een smart die u zich kunt voorstellen.
____
* Pierre de Gondi was toen kardinaal van Parijs, maar zijn gezondheid was slecht, zodat er aan opvolging moest worden gedacht. ‘…men dacht elke maand wel dat men met zekerheid mocht rekenen op de dood van mijn oom, die inderdaad heel zwak was.’
** Retz wilde een militaire carrière.
*** Teint de lis et de roses: vaste poëtische omschrijving voor een perfect blanke huid met kersroze tinten.
**** Benedictijnerabdij in het hertogdom Retz. Om de kerkelijke carrière wat aantrekkelijker voor hem te maken, had men onze auteur de opbrengst van twee abdijen toegezegd. Een ervan was Busay.
De hoofdstad van het hertogdom.
*°° Franse mijl (4,445 km).
*°°° Vrachtschepen, driemasters met een rondachtige romp (vandaar de naam), die door hun grootte goedkoop maritiem transport mogelijk maakten. De baai van Bourgneuf-en-Retz was het centrum van de zoutexport naar het noorden.
**° Achter een bed was er toen een 'ruelle', een ruimte die met een gordijn kon worden afgesloten.
**°° Het Franse woord ‘morbidesse’ bestond al, maar de cultuurtaal was toen Italiaans. Nog in de negentiende eeuw was deze term een topos. Bijvoorbeeld Heine gebruikt hem nog: ‘…matter Perlenglanz, vornehme Blässe, Morbidezza.’, matte parelglans, voorname bleekheid. Misschien werd de Italiaanse term voor het eerst gebruikt om de gratiën van Botticelli te beschrijven.

30 september 2017

Interne Keuken en beeldcitaten


In de Interne Keuken van Koen Fillet en Sven Speybrouck op Radio1 stond vandaag een tv-programma op het menu. De kunsthistorica Katharina Van Cauteren, die met groot succes al enkele Huts-tentoonstellingen verzorgde in Gent in het Caermersklooster, had het namelijk over The Game of Thrones, een feuilleton dat blijkbaar in een soort middeleeuwen speelt.
Meer iets voor jonge mensen begreep ik, en al is Sven nog lang niet zo oud als ik, ik hoorde hem toch graag zeggen dat hij van dat ding nog geen enkele aflevering had gezien.
De uitleg die we erover kregen was zeer interessant, en hoewel ik ook nu geen minuut van dat spel zal bekijken, toch hoorde ik met graagte dat er veel kunsthistorische verwijzingen in zitten. Beeldcitaten noemde Van Cauteren die verwijzingen. Carravaggio had een grote inbreng in The Game of Thrones, en ook Rembrandt, Bosch, Breugel, Rubens en Turner kwamen ter sprake.
Sven nam op een bepaald moment het woord “plagiaat” in de mond, maar na enige uitleg van de kunsthistorica, die zei dat die oude kerels elkaar ook naschilderden, nam hij dat woord direct terug. Heel mooi vond ik dat, want anders had ik hem moeten wijzen op deze tekst van Heinrich Heine:

Niets toch is idioter dan dit verwijt van plagiaat. In de kunst bestaat er geen zesde gebod, de dichter mag overal toeslaan waar hij materiaal voor zijn werk vindt, en zelfs volledige pilasters met uitgebeitelde kapitelen mag hij zich toe-eigenen, als tenminste de tempel die hij daarmee stut prachtig is. Goethe heeft dit zeer goed begrepen, en nog vóór hem Shakespeare zelfs. Niets is idioter dan het verlangen dat een dichter al zijn stof uit zichzelf dient te halen: dat zou dan originaliteit zijn. Ik herinner me een fabel waarin de spin met de bij spreekt, en haar verwijt dat zij het materiaal voor haar wassen raat, en voor de honing die ze daarin bereidt, uit duizend bloemen samenraapt: “Ik echter,” voegde ze er triomfantelijk aan toe “ik trek in eigengemaakte draad heel mijn artistieke weefsel uit mijzelf.”

De filoloog Ernst Elster plaatste hierbij een voetnoot: “Du sollst nicht stehlen” ist das siebente Gebot.

We mogen dus niet alles geloven wat Heine schreef, maar dat hij ook buiten de schilderkunst of de poëzie een felle tegenstander was van het begrip plagiaat moge verder hieruit blijken dat hij elders schreef: [...] es gibt kein Plagiat in der Philosophie.”


Über die französische Bühne, vertraute Briefe an August Lewald,
geschreven in mei 1837, in een dorp nabij Parijs. Zesde brief.
In: Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.527.
________

Post scriptum. Koen laat me op Twitter weten: 'Je kan niet geloven hoe vaak Sven Koen en Koen Sven genoemd wordt.' Maar ik laat het staan zoals het is: fake news dus. Koen likete die beslissing trouwens.



7 september 2017

Goede stijl als morele plicht


In het jaar 1991 kocht ik in Londen een boek van Robert Graves, de tweede druk van The Reader Over Your Shoulder, A Handbook for Writers of English Prose.* Ik kocht toen bij Londense expedities wel meer boeken van hem want ik was verzot op al zijn werk. Vandaag is Robert (von Ranke) Graves nog het meest bekend van I Claudius (1934), en het vervolg Claudius the God, want de BBC verfilmde die boeken meesterlijk, met Derek Jacobi als keizer Claudius.

Eerder al, onder meer met het autobiografische Goodbye to All That, over de oorlog van 1914-1918 had hij ook succes gehad – en nogal wat patriottische vijanden gemaakt – maar die Claudiusboeken verkochten als gek.
Zelf deed Graves er nogal afstandelijk over en noemde ze potboilers, commerciële broodschrijverij. Hij was een dichter namelijk. Klassiek vertaler ook, en een feilloze stilist.

Hoe belangrijk hij schrijfstijl vond, is te zien aan een citaat uit The Reader Over Your Shoulder:
Arnold Bennett in his Literary Taste pointed out that faults of style are largely faults of character. […] The writing of good English is thus a moral matter, as the Romans held that the writing of good Latin was.
[Stijlfouten getuigen meestal van een gebrekkige wezenstrek, en goed Engels schrijven is dus een kwestie van morele aard, zoals de Romeinen dat ook dachten van goed Latijn schrijven]

Dat boek heeft veel kwaad bloed gezet, misschien evenveel als Goodbye to All That. Graves begint met een theoretisch deel van 172 bladzijden, doorspekt met voorbeelden uit kranten, tijdschriften en boeken. Enkele titels van hoofdstukken zijn ‘The Peculiar Qualities of English’, ‘The Principles of Clear Statement’, en ‘The Graces of Prose’.

Maar dan neemt hij, met als leidraad de genoemde Principles, een aantal grote namen onder handen, onder meer T.S. Eliot, J.M. Keynes, J.B. Priestley, Bertrand Russell, H.G. Wells, Graham Greene, en citeert van elk van hen een alinea.
Dat deel van het boek heet: Part II. Examinations and Fair Copies. Na elk citaat komt de toetsing aan de principes, waarbij zin voor zin alle overtredingen worden opgesomd, en hij eindigt zijn bespreking telkens met a fair copy: de tekst zoals die had moeten luiden.

Een ideaal recept om vrienden te maken.

__________
* Ook vandaag nog te vinden, onder de titel: The Use and Abuse of the English Language (Paragon House, New York)

31 augustus 2017

Baudelaire stierf 150 jaar geleden


Charles Baudelaire stierf 150 jaar geleden, op 31 augustus 1867. Natuurlijk kennen we hem als dichter, en sommigen onder u zullen L’Albatros nog van buiten geleerd hebben… ses ailes de géant l'empêchent de marcher. Niet al zijn gedichten waren nochtans even geschikt voor schooljongens.
Maar zoals alle grote dichters was hij ook een groot prozaïst, en in zijn brieven een kwade klant. Twee jaar voor zijn dood schreef hij aan een literatuurcriticus:

‘Beste mijnheer, als ik de woede helemaal zou willen bekoelen die u in mij opwekt dan zou ik u op zijn minst vijftig vellen sturen en u bewijzen dat, in strijd met uw bewering, ons arme Frankrijk maar erg weinig dichters telt, en er niet één bezit die tegen Henri Heine op kan. Maar u houdt niet van waarachtigheid, u houdt niet van juiste verhoudingen, u houdt niet van rechtvaardigheid, u houdt niet van stijlcombinaties, u houdt niet van ritme, noch van metrum, noch van rijm; al die zaken vragen te veel inspanning om ertoe te komen. Slaap maar zoetjes in op uw oorkussen van gemeenplaatsen. […] En vergeleken bij de poëzie van Henri Heine, van Byron en Shakespeare, maken al uw geciteerde kleine Franse onbetamelijkheden het effect van een mondorgeltje of een spinetje vergeleken bij een machtig orkest. Van de fragmenten van Henri Heine die u citeert is er niet één dat niet oneindig superieur is aan al de herderszangen en kinderrijmen die u bewondert.’

Le Figaro had vandaag een mooi interview van Eugénie Bastié met Marie-Christine Natta, die een nieuwe biografie van Baudelaire heeft geschreven. Dit is een stukje eruit:

Marie-Christine Natta: Een aspect van zijn dandyisme is zijn politieke ontrouw. Baudelaire erkent dat hij geen overtuigingen heeft. Hij heeft er zelfs over gedacht om een essay te schrijven met als titel: Grandeur, ook zonder overtuigingen. Ik heb die erg mooie titel gebruikt voor mijn eigen essay daarover. Nochtans mag je niet denken dat het Baudelaire aan eerlijkheid ontbrak. Als hij zich in de revolutie van 1848 engageert, gelooft hij in het republikeinse en humanitaire ideaal, en klimt hij op de barricades. Maar hij gelooft er niet lang in. Zoals Gabriel Matzneff dat van Byron zei: een dandy kán ergens voor militeren, maar dan kort.
Na de revolutie van 1848, en vooral na de staatsgreep van 2 december 1851,* voelt Baudelaire zich ‘gedepolitiseerd’. Zijn lectuur van Joseph de Maistre maakt dat hij volkomen verwijderd raakt van revolutionaire utopieën. [...]
Baudelaire is onbetwistbaar een man van de «modernité». Hij heeft het woord niet zelf uitgevonden – Balzac en Gautier gebruikten het al voor hem – maar hij is wel de eerste die het begrip uitgediept heeft, en van ‘moderniteit’ een literaire en artistieke categorie gemaakt. Treffend is wel dat hij, man van de moderniteit, tegelijk een van de hevigste tegenstanders is geweest van zijn eigen periode, die hij als even barbaars beschouwt als de meest primitieve tijden. Daarom ook gelooft hij niet in de Vooruitgang: verre van de mens te verlichten en hem beter te maken, zegt hij, is die een vergissing, een “obscure en perfide lantaarn” [Gezelle is het hier met hem eens: die sprak van ‘de religie van ’t progrès.’]
In dit verband is de pers een uitstekend voorbeeld van zijn contradicties: hij kan ze niet missen, maar spreekt er voortdurend alle mogelijke kwaad van. Verwoed krantenlezer als hij is, stelt hij de mediocriteit ervan aan de kaak en vindt hij hun inhoud hartverscheurend. Een krant, zegt hij, is “een aaneenschakeling van verschrikkingen” waar je op elke regel “de afschuwelijkste tekenen van menselijke verdorvenheid ziet”.
Eugénie Bastié: Hoe staat hij dan tegenover de journalistiek?
Marie-Christine Natta: Baudelaire is niet enkel een krantenlezer, hij is ook journalist en heeft zoals wel meer schrijvers de pers nodig voor zijn levensonderhoud. Het is aanvankelijk ook in de pers dat de meeste van zijn gedichten en kritische teksten gepubliceerd worden. Maar met kranten- en tijdschriftendirecteurs heeft hij een bijzonder woelige verhouding, en noemt hen «canaille littéraire». Hij verwijt hen – niet zonder reden – dat ze hem willen corrigeren. Terwijl Baudelaire, dat extreem scrupuleuze genie, perfect weet wat hij schrijft. Dat kan zijn houding tegenover Alphonse de Calonne verklaren, de «ultra-rédacteur en chef», aan wie hij zeer laatdunkende lessen filologie geeft.
_________
* President Louis-Napoléon Bonaparte laat zich tegen de grondwet in herverkiezen, en wordt op 2 december 1852 keizer: Napoléon III.

27 augustus 2017

Barricaden opwerpen, 369 jaar geleden


In de Mémoires van Retz lezen we dat in Parijs, in de ochtenduren van 27 augustus 1648 vandaag 369 jaar geleden  ‘in minder dan twee uur tijd meer dan 1200 barricades werden opgeworpen.’
De eindnoten van Michel Pernot (2003, Folio classique, p. 1038) bevestigen dit, en dat kan nooit kwaad want de kardinaal durft feiten al eens naar zijn hand zetten:

"Op bijna alle kruispunten van Parijs stonden er trommels met kettingen eromheen gewonden, die men bij gevaar dwars over de straten spande. De ochtend van 27 augustus 1648 begonnen de burgers deze te spannen, niet enkel om zich tegen de soldaten van de koning te verdedigen, maar ook om zich tegen het gemene volkje van inbrekers en dagloners te beschermen, dat bij troebelen altijd klaarstaat om te plunderen. Vervolgens versterkten zij hun installaties met behulp van barricades, gemaakt van okshoofden [barriques, vaten van 200 à 250 liter] gevuld met grond, stenen, mest of om het even wat voor afval. Door de smalle straatjes, en het grote aantal barricades (men telde er 1260), werd het onmogelijk in Parijs nog te circuleren."

Wat we uit het betrouwbare relaas van Retz dus leren is dat het afsluiten van straten met zware blokken en kettingen – wat vandaag regel is bij feestelijkheden, wijkkermissen enzovoort, zie foto – ook toen al voorkwam, en met ongeveer gelijk gebleven technieken. Hun vijanden waren niet dezelfden, maar hun technieken verschilden nauwelijks van de onze. 

Nog dit: de Dikke van Dale geeft bij het Nederlandse ‘barricade’ een verkeerde uitleg: zelfstandig naamwoord; de (v) (1669) Frans, ontleend aan Italiaans barricata.

In Le Trésor informatique de la langue française vinden we dat het omgekeerd is gegaan: de hypothese van een directe ontlening aan het Italiaans moet verworpen worden (KOHLM., p. 31; SAR., p. 19), want deze taal kende “barricata” niet eerder dan in de XVIIIde eeuw. Het woordenboek Vocab. degli accademici della Crusca, 4e editie (Firenze 1729), zegt dat barricata aan het Frans werd ontleend.


23 augustus 2017

Kardinaal de Retz steekt de Catalanen, de Ieren, de Schotten en de Vlamingen een riem onder het hart


Kardinaal de Retz, die u intussen goed kent, legt ons in zijn Memoires uit dat revoluties heel plots kunnen uitbreken, maar nooit uit het niets komen. Een element kan bijvoorbeeld fiscale druk zijn, en geld dat men ziet verdwijnen in bodemloze putten. Hij geeft een voorbeeld van de vindingrijkheid van de fiscus in zijn tijd:

Émeri, de opperintendant op financiën, en wat mij betreft de meest verdorven geest van zijn eeuw, deed niets dan benamingen zoeken om dan nieuwe edicten te kunnen uitvaardigen.

Inderdaad, de fiscale vondsten van Michel Particelli, seigneur d’Emery (1596-1650) zetten toen veel kwaad bloed. Ze waren mede aanleiding voor de opstand van de Fronde, maar voor een revolutie moeten er andere elementen bijkomen, zoals een vrijheidsideaal of een nationale idee. Het is namelijk zo dat een volk, of zelfs een afzonderlijke klasse zoals de adel, niet makkelijk in opstand komt.
Daartoe moet de toestand eerst een culminatiepunt bereiken, een kookpunt, de maat moet vol zijn, het moet de spuigaten uitlopen, er moet iets voorvallen dat de deur dichtdoet. Maar eens de rapen gaar zijn kan het snel gaan. Retz legt dat beter uit:

De Zwitsers leken zodanig verstikt onder het gewicht van hun ketenen dat ze om zo te zeggen niet meer ademden, totdat de opstand van drie van hun machtige kantons tot de vorming van eedgenootschappen leidde. De Hollanders geloofden dat ze onder het juk van de hertog van Alva vastzaten, tot de prins van Oranje, door een lotsbestemming die gereserveerd is voor de grote genieën die vóór alle anderen het punt zien waar een mogelijkheid zich voordoet, zich een idee vormde van hun vrijheid en deze verwekte.
Dit zijn voorbeelden; ze spreken voor zich. Wat de lethargie veroorzaakt in verdrukte staten is de duur van het kwaad, die greep krijgt op het voorstellingsvermogen van de mensen en hen laat geloven dat het nooit nog zal eindigen. Zodra zij echter een gaatje zien om zich los te maken – wat zonder mankeren het geval zal zijn als er een zeker punt is bereikt – zijn zij zo verrast, zo blij en zo driftig dat ze op slag in het andere uiterste vervallen en een revolutie verre van onmogelijk, maar juist voor moeiteloos houden. Die instelling op zich kan ze soms al doen slagen.

19 augustus 2017

Nu zou het toch iets met de islam te maken hebben?


In alle eerlijkheid, na de eindeloze reeks moslimaanslagen hoor of zie je bijna geen journalist meer die beweert dat het niets met de islam te maken heeft. Ook hun kreet 'islamofoob!' begin je stilaan minder te horen, en zelfs geijkte termen als 'jongeren' lijken op de terugweg. 'Verward' lijkt nog een zeker journalistiek succes te kennen, maar ook op die omschrijving komt snel sleet.
Ze zien wellicht in dat hun oude vocabularium zijn beste tijd gehad heeft, en leren nu schoorvoetend meer specifieke woordjes gebruiken. Toch is het misschien nuttig voor hen die zich nog altijd voor de betere islamexegeten houden, om het interview hieronder eens te lezen. Het zal hen in elk geval geen kwaad doen.
“De samenhang tussen fundamentalisme, terreur en de uitgangsstellingen van de orthodoxe islamleer is volstrekt duidelijk”, zegt Kyai Haji Yahya Cholil Staquf, secretarisgeneraal van de grootste moslimvereniging van Indonesië, in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung vandaag.

Speciaal de verhouding van moslims tot niet-moslims, zowel als de houding van moslims tot staat en recht, zijn problematisch en leiden tot segregatie en vijandschap. “Te veel moslims zien de beschaving, het vreedzame samenleven van mensen met verschillende religies, als iets dat bestreden moet worden”, zegt hij. De toenemende angst voor de islam in het Westen is volkomen begrijpelijk. En over die samenhang moet men klare taal spreken: “Het Westen moet ermee ophouden de vraagstellingen hierbij voor islamofoob te verklaren.”
“Wij moeten ertoe komen dat een interpretatie die de traditionele normen van de islamitische rechtsleer als absoluut ziet, als vals geldt. Religieuze waarden en de sociale realiteit moeten bij elkaar passen. En het moet glashelder zijn dat de wetten van het land voorrang hebben.”

Yahya Cholil Staquf stamt uit een familie van soennitische geleerden. Hij is secretarisgeneraal van de Opperste Raad van Nahdlatul Ulama, de grootste moslimvereniging in Indonesië, zijnde het land met de grootste moslimbevolking ter wereld. Nahdlatul Ulama geeft aan dat ze 50 miljoen leden tellen, en minstens deels beschouwen zij zich als gematigd. Kyai Haji Yahya Cholil Staquf behoort tot de spiritueel georiënteerde vleugel van de organisatie.

18 augustus 2017

Hoever kan blinde haat een wetenschapper drijven?


Paul Krugman schrijft in The New York Times een mooi artikeltje. Niet als gepensioneerde economist maar als opiniemaker. Je hebt dat overal, van die gepensioneerde economisten die hun professionele kunstjes niet meer vertonen en ter vervanging opinies beginnen te produceren.

Naast Trump komt Caligula er nog goed uit

Historici hebben Donald Trump vergeleken met Caligula, de wrede, corrupte Romeinse keizer die er genoegen in vond om anderen te vernederen, speciaal de elites van het Rijk. Maar nu we zeven maanden ver zijn in Trumps ambtstermijn, kunnen we zien dat dit een onbillijke vergelijking was.
Om één ding te noemen, voor zover wij weten stookte Caligula niet aan tot etnisch geweld in het Keizerrijk. [mooi dat Krugman dat zegt van ‘as far as we know’, al was ‘as far as I know iets duidelijker geweest want dat er geweld voorkwam is wel degelijk het geval, bijvoorbeeld in Jeruzalem, maar dat betrof een conflict rond de keizercultus, en al kwam de eis wel van Caligula, en waren het vanzelfsprekend joden die deze cultus weigerden, misschien mag je dat geweld toch niet etnisch noemen]. En nog iets, opnieuw voor zover wij weten: het bestuur in Rome bleef redelijk goed draaien, in weerwil van zijn capriolen. De gouverneurs van de provincies bleven de orde handhaven, het leger bleef de grenzen verdedigen, en economische crisissen waren er niet. En om te besluiten, toen zijn gedrag werkelijk ondraaglijk werd, deed de Romeinse elite datgene waartoe de partij die vandaag het Congres controleert onbekwaam lijkt om het zelfs maar in overweging te nemen: ze vonden een weg om zich van hem te ontdoen [to get rid of him].

Ik heb alvast de indruk dat Krugman in een onbewaakt ogenblik de militaire verdediging van grenzen een mooi ding vindt. Maar dit nog daargelaten, ook oproepen tot politieke moord lijkt voor onze economist geen probleem.
Caligula werd immers door zijn Pretoriaanse wacht vermoord, en nog wel op aanstoken van een populist, de tribuun Cassius Chaerea. De geschiedschrijver Suetonius zegt evenwel dat er twee versies van de moord bestaan en geeft die allebei zonder zich uit te spreken.

Ach, misschien gelooft Krugman ook voor waar dat Caligula zijn paard Incitatus tot consul heeft benoemd, niet wetende dat Caligula dat gezegd heeft, of zou hebben, om de senatoren duidelijk te maken dat alle macht bij hem lag en bij niemand anders.
En misschien heeft Krugman dus ook niet beseft dat hij opriep tot moord, en misschien, of zelfs wellicht omdat hij Suetonius niet kent …al vertaalde Robert Graves hem prachtig in 1957.

11 augustus 2017

Duits leent zich goed voor preciseringen


In een panelgesprek van de Zwitserse televisie kreeg de filosoof Norbert Bolz, professor aan de Technische Universität in Berlijn, van een tafelgenote te horen dat je toch niet kon volhouden dat de politieke correctheid te ver was doorgeschoten, aangezien je zoveel incorrecte en luide stemmen hoorde overal: een retorisch fiorituurtje dat je ook bij ons vaak hoort en leest.

Norbert Bolz: Aber der entscheidende Punkt ist doch folgender: wenn Sie darauf hinweisen daß es Leute gibt die politisch sehr Unkorrektes äußern, und damit auch ein Publikumserfolg haben, kann man das an einem Beispiel sehr gut festmachen, nämlich Sarrazin. Das war im Grunde, vor der Silvesternacht schon der erste große Knackpunkt.
Barbara Bleisch (SRF): Darf ich nur ganz kurz einbringen: Thilo Sarrazin der das Buch geschrieben hat Deutschland schafft sich ab, und danach Der [neue] Tugendterror, und gesagt hat er wurde niedergemacht, mundtot gemacht…
Norbert Bolz: Exakt, äh, mundtot gemacht, das zu behaupten wäre unsinnig, denn er hat ja einen Massenerfolg mit seinen Büchern bis zum heutigen Tag, die Leute rennen in die Bude ein wenn er irgendwo eine Vorlesung macht oder so was. Der entscheidende Punkt ist nur der: das ist kein Zeichen für Meinungsfreiheit, einfach deshalb weil Sarrazin ein Paria ist. Er ist eine nicht-Existenz, er ist jemand der in der Öffentlichkeit sogar mit Polizeischutz auftreten muss, und das scheint mir nicht der Ausdruck einer liberalen Kultur zu sein.



Norbert Bolz: Maar het beslissende punt is toch dit: als u erop wijst dat er mensen zijn die politiek zeer incorrecte dingen zeggen, en daar ook succes mee hebben bij het publiek, dan laat zich dat zeer goed aantonen met een voorbeeld, namelijk Sarrazin. Dat was, nog voor de Sylvesternacht [Keulen] eigenlijk het eerste grote breekpunt.
Barbara Bleisch (SRF): Mag ik even heel kort iets tussenwerpen: Thilo Sarrazin die het boek Deutschland schafft sich ab geschreven heeft en daarna Der [neue] Tugendterror, en die gezegd heeft dat hij afgemaakt werd, monddood gemaakt…
Norbert Bolz: Exact, heu, monddood gemaakt, dat beweren zou onzinnig zijn want met zijn boeken heeft hij tot de dag van vandaag nog massaal succes, en de mensen lopen de zaal plat als hij ergens een voordracht geeft of iets dergelijks. Alleen, het beslissende punt is dit: dat is geen teken van vrije meningsuiting, eenvoudig daarom al dat Sarrazin een paria is. Hij is een onbestaand wezen, hij is iemand die zelfs politiebescherming nodig heeft als hij in het openbaar optreedt, en dat lijkt mij geen kenmerk te zijn van een liberale cultuur.

Alles vertalen is me teveel gevraagd, maar in het gesprek kwam nog heel wat meer aan bod: spraakhygiëne en verboden woorden, microagressie, grote gevoeligheid bij veel mensen (snow flakes is de term nu), jacobinisme, tot en met Karl Kraus en de journalist die zich als præceptor Germaniæ ziet.
Met die eervolle naam (leraar van Duitsland) werden oorspronkelijk de abt Hrabanus Maurus Magnentius en later Philipp Melanchthon aangeduid, en weer later kregen anderen hem ook, zo bijvoorbeeld Dr. Siegbert Tarrasch. Terecht ook in zijn geval want hij schreef Das Schachspiel. Systematisches Lehrbuch für Anfänger und Geübte, maar het spreekt dat niet iedereen zich præceptor moet wanen.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html